Autor: Emil

~ 12/06/10

Ik kwam pas deze video tegen en hij is het verspreiden waard. Het is een inleiding over een discussie over democratie en hoe communisten daar naar kijken. De inleiding is door twee personen, Mike Macnair van de Communist Party of Great Britain en Moshé Machover (onder meer een anti-zionistisch Joodse communist). Mike vertelt eerst over het tekort van democratie in onze huidige maatschappij en hoe zich dat uit, Moshé gaat in op hoe democratie er onder een communistische maatschappij vorm krijgt. Veel kijkplezier!

Autor: Emil

~ 03/05/10

Op 1 mei ging het hard mis, zowel in Rotterdam als in Nijmegen. De politie greep hard in, veel arrestaties. De reden in Rotterdam was omdat stokken voor vlaggen en spandoeken plots waren verboden omdat ze als “slagwapens” konden dienen, lulverhaal van jewelste natuurlijk. In Nijmegen was het sneuvelen van een ruit voldoende.

Wat betekent dit? Er is natuurlijk speculatie over waarom de politie zo hard ingreep, voor het eerst in 23 jaar in Rotterdam op deze manier. Maar wat belangrijker is, is wat de gevolgen zijn. Dit zet een belangrijk precedent tegen elke vorm van arbeidersverzet: stakingen, demonstraties, noem maar op.

Het Offensief artikel heeft ook een video en wat opviel aan die film was de enorme desorganisatie van de demonstranten. Dit is ook niet heel vreemd, na jaren gewoon te hebben kunnen lopen is zo’n plotse politierepressie iets wat je niet direct verwacht.

Ik acht het vrij waarschijnlijk dat het helemaal geen toeval is dat de politie juist dit jaar zo hard optrad, maar dat dit alles te maken heeft met de crisis en de rekening die de politiek ons wil presenteren. Arbeidersverzet past niet in dat plaatje…

Als dit beeld klopt heeft deze 1 mei een nieuwe fase in de klassenstrijd aangekondigd, eentje waarin de sfeer heel snel heel erg kan escaleren. Sleutelwoord voor de arbeidersbeweging is dus: organisatie. We moeten weer leren hoe een demonstratie van zelfs maar een paar honderd man, zoals in Rotterdam afgelopen zaterdag, de politie van zich kan afslaan. De kracht van de politie zit hem in dergelijke technieken: verdeel de groep in kleinere eenheden, isoleer individuen, drijf ze op een kluitje, chargeer, zaai verwarring, werk als collectief.

Maar zelfs zonder ordedienst had de Rotterdamse demo de dag nog kunnen winnen door niet verder te lopen, maar te gaan zitten. Zittende mensen kun je veel moeilijker in een nauw drijven. Dat had een van de organisatoren met een megafoon kunnen regelen. Tactische fout en de les meenemen naar de volgende keer.

Wat te doen? Juist nu dat de crisis zijn langdurige karakter aan steeds meer mensen steeds bloter laat zien, is het zaak de traditie van 1 mei weer te doen heropleven. Ik ben voornemens om in Limburg volgend jaar een 1 mei demo te helpen organiseren. Als we dat als beweging voor elkaar krijgen in niet enkele steden, maar in 10, 20 of 30 steden, dan is dat een super stap vooruit en een versplintering van de middelen van de politie.

Maar de volgende 1 mei is nog ver weg en tot die tijd is er nog veel strijd te leveren. De komende maanden zullen uitwijzen hoezeer de atmosfeer verslechterd, maar mijn advies is om per direct een nieuwe standaard agendapunt bij te zetten bij elke stakings- en demonstratie vergadering: Hoe verdedigen wij ons tegen de politie?

Autor: Emil

~ 20/04/10

De Piraten Partij is een fenomeen overgewaaid uit Zweden. Sinds 10 maart dit jaar bestaat er ook een Nederlandse afdeling van. Natuurlijk is de Praten Partij bekend vanwege The Pirate Bay, een veelgebruikte bit torrent indexering site. Toen de druk vanuit de media-industrie werd opgevoerd om The Pirate Bay van het net te halen, maakte de oprichters bekend zelf ook in de politiek te gaan. Sinds haar oprichting in 2006 is de Zweedse Piraten Partij ongekend succesvol geweest voor een “one issue” partij, waarbij ze bij de afgelopen Europese verkiezingen twee zetels haalde. Er is zelfs een heuse “internationale”: de Pirate Party International, dat actief is in 38 landen tot dusverre.

De PPNL heeft in vergelijking met veel andere partijen een vrij beperkt programma. De standpunten zijn als volgt:

  • Privacy van burgers dient gewaarborgd te worden
  • Burgerrechten verdedigen in een informatiesamenleving
  • Vertrouwelijke gegevens moeten veiliger worden opgeslagen en zorgvuldiger worden gebruikt
  • Het delen van cultuur en informatie bevorderen, mede door het auteursrecht te hervormen
  • Het patentsysteem hervormen ter bevordering van innovatie en kennisdeling
  • Merkenrecht moet slechts ter identificatie van de producent dienen
  • Overheid open en inzichtelijk maken
  • Aanname van onschuld tot tegendeel bewezen is

Geen hiervan zijn op het eerste gezicht “typisch socialistische” thema’s die eerder standpunten hebben als “meer middelen voor het onderwijs”, “nationaliseer om banen te redden”, “verkort de werkweek”, etc. Toch raakt de PPNL een zeer belangrijke snaar: die van de strijd om democratie waarbij gewone burgers meer eigen invloed moeten kunnen krijgen in hun leven.

Het huidige revolutionaire links is vaak beperkt tot “vakbonds” thema’s zoals meer loon, kortere werkweek, meer middelen, etc. Dergelijke standpunten kunnen best een waarde hebben, maar naar mijns inziens alleen als ze ook geplaatst worden in een bredere context van de machtsovername van de meerderheid van de bevolking (werkende klasse is toch zo’n 90+% in Nederland), oftewel een behoorlijke verderzetting van democratische rechten.

Dit behoeft wat meer uitleg aangezien ik hier wat afwijk van wat “gebruikelijk” is voor revolutionair links. De methodiek die vaak gebruikt wordt streeft ernaar om vanuit het “huidig bestaande bewustzijn” een link te maken naar de noodzaak voor socialisme, de methode hiervan is directe actie, zoals stakingen, manifestaties, etc. Het medium hiervoor is agitatie, het oproepen voor iets. Op papier klinkt het aardig, maar de beperking zit hem dus vaak erin dat men de bredere politieke context uit het oog verliest en zich dus alleen toelegt op “vakbondseisen” (met een duur woord heet dat economisme). Het komt erop neer dat we als revolutionair links te vaak de beweging (en haar bewustzijn) volgen, in plaats van ernaar te streven haar pro-actief op een hoger (politiek) niveau te tillen.

Wat nodig is, naar mijn mening, is iets anders. Communisme is het streven naar de totale bevrijding van de gehele mensheid. Hiervoor leggen Marxisten zich toe op de enige klasse die dit doel kan bereiken vanwege haar centrale positie binnen de kapitalistische maatschappijvorm – de werkende klasse. “De bevrijding van de werkende klasse kan alleen het werk van haarzelf zijn” stelde Marx al terecht. Deze klasse moet de macht overnemen, niet enkel op nationaal niveau, maar op internationale schaal om een einde te maken aan het kapitalisme dat als globaal systeem functioneert. Hiervoor hebben we politieke educatie en organisatie (en niet slechts agitatie) nodig, zodat de klasse zich organiseert als een klasse in haar eigen recht, dus als collectief. Anders gezegd: we kunnen pas bouwen aan een maatschappij dat staat voor de noden van mensen (ipv de winsten) als we de strijd om de democratie aangaan en winnen, een expliciet politieke strijd. We kunnen dus bijvoorbeeld wel het standpunt innemen voor een kortere werkweek, bijvoorbeeld 30 uur, maar erbij uitleggen dat dit nodig is zodat men dan ook de tijd heeft te participeren in het bestuur van de maatschappij in haar geheel.

In deze context steun ik dan ook de PPNL vanwege standpunten als privacy en intellectueel eigendom. Het is dus een wat beperkt programma, maar het legt de focus op de directe noodzakelijke taken van de werkende klasse om de basis van dit fundamenteel ondemocratische systeem ter discussie te stellen en aan te vallen.

Natuurlijk heeft de PPNL geen expliciet socialistisch programma en zullen er vast een hoop mensen van allerlei achtergrond bij betrokken zijn. Maar ik heb in hun irc kanaal al een interessante open houding gemerkt voor communistische ideeën (opmerkelijk alleen al dat er niet krampachtig op een GeenStijl-achtige wijze op het woord als zodanig werd gereageerd of dat er een agressieve houding heerst naar expliciet revolutionair-socialistische groepen, zoals gebruikelijk bij de SP). Wellicht dat het huidige programma de basis kan vormen voor een verdere uitbouw van democratische eisen. Ik ben in ieder geval serieus aan het overwegen om lid te worden!

De termijn voor het zetten van steunbetuigingen is vandaag begonnen duurt nog tot en met 24 april. In elk van de 19 kieskringen zijn 30 handtekeningen nodig om overal mee te kunnen doen aan de landelijke verkiezingen en bijvoorbeeld ook tv-zendtijd te krijgen. Je moet de handtekening zetten op het gemeentehuis, meer details vind je hier.

Autor: Emil

~ 14/03/10

Ik kreeg zojuist deze massmail binnen:

Wordt het op 9 juni retro-rechts of lef van links?

Beste Emil Jacobs,

Verbijstering, woede en verdriet wisselden elkaar in hoog tempo af nadat Agnes de fractie had laten weten dat ze ermee ging stoppen. Het negatieve beeld dat over haar ontstaan was, kreeg steeds meer de overhand. Alle inspanningen ten spijt, je zag Agnes ongelukkiger worden. Het negatieve beeld zou de komende weken de campagne blijven overheersen. Agnes koos voor het partijbelang en besloot te stoppen als als fractievoorzitter en zich ook niet meer kandidaat te stellen als lijsttrekker bij de komende Tweede Kamerverkiezingen. Twintig jaar niet aflatende inzet voor de SP werd abrupt beeindigd. De hele fractie zat er verslagen bij. ‘Dit verdient Agnes niet.’

Maar de wereld draait door. 9 juni staan de mensen in Nederland voor de keus welk Nederland zij willen. Ik heb me daarom kandidaat gesteld voor het lijsttrekkerschap voor de komende verkiezingen en ik ben verheugd dat de partijraad van de SP hier zaterdag zijn steun aan gaf. Samen met jullie wil ik de schouders eronder zetten. Er zijn nog bergen werk te verzetten, om al die mensen die ons een warm hart toedragen, te bewegen voor de SP te kiezen.

Gisteren in mijn toespraak op de partijraad heb ik de hand uitgestoken naar GroenLinks, PvdA en D66. Ondanks dat er verschillen zijn, is het mijn overtuiging dat wanneer wij samen naar de verkiezing toewerken, wij Nederland een alternatief kunnen bieden. Een alternatief voor de rechtse donkere wolken die zich nu samenpakken. Mijn oproep kun je hier teruglezen.

Met vriendelijke groet

Emile Roemer

P.S. Mocht je nog geen lid wezen van de SP, sluit je aan! We kunnen je hulp goed gebruiken. Klik hier om je aan te melden.

Als reactie hierop schrijf ik een open brief terug die ook is verstuurd naar Emile:

Dag Emile,

Bedankt voor massmail. Ook ik deel je conclusie dat er nog bergen werk te verzetten zijn. Er moet een principiëel tegengeluid worden uitgebouwd tegen het asociale beleid van rechts en rechtser. Daar wil ik graag aan meehelpen.

Ik ben het echter niet eens met je verhaal over Agnes. Natuurlijk had zij dit niet verdient, maar ik respecteer het wel dat ze als politiek leider de verantwoordelijkheid neemt en aftreed. Maar nu lijkt het wel alsof Agnes’ “ongeluk” de oorzaak was van een slechte campagne. Dat is natuurlijk geen objectieve analyse.

Ik constateer dat de partij, waar ook ik zeven jaar van mijn energie in heb gestopt, steeds meer naar het midden opschuift. De NAVO en de Republiek zijn in 2006 vergeten, evenals het terugdraaien van asociaal beleid, zoals in de gezondheidszorg. In de lokale coalities zijn we in diverse gemeenten al verantwoordelijk voor het uitvoeren van overheidsbeleid, hetzij met “een menselijk gezicht”. Wat er echter menselijk is aan bijvoorbeeld bezuinigingen in de sociale dienst of het privatiseren van overheidsbedrijven, is mij nog steeds een raadsel.

De partij is dus in de afgelopen jaren steeds salonfähig geworden, heeft steeds meer de “acceptatie” opgezocht van andere partijen. Dit komt goed naar voren in je mail waarin je oproept voor een coalitie met de-AOW-leeftijsverhoging-is-goed GroenLinks, de wij-draaien-al-jaren-asociaal-beleid PvdA en de-bezuinigingen-gaan-niet-snel-genoeg D’66. Is het dan vreemd dat wij als partij ons anti-establishment imago zijn kwijtgeraakt aan een volksmenner als Wilders?

De SP is groot geworden door op te komen tégen het neoliberalisme en vóór een alternatief, gebaseerd op solidariteit, menselijke waardigheid en gelijkwaardigheid. Nederland heeft geen behoefte aan een PvdA 2.0 en dit zie je dan ook terug in de meest recente peilingen: PvdA is gegroeid met 12 zetels in de afgelopen drie weken naar 27, de SP zakt verder naar 10.

En dan is er nog de kwestie van democratie binnen onze gelederen. Zoals ik zei ben ik zeven jaar lang actief geweest voor de partij, dat ik dat nu niet meer ben is niet mijn keuze geweest. Ik heb mij doorheen de jaren steeds kritischer ontwikkeld ten opzichte van het beleid van onze partij. Dit leidde er toe dat ik in eind 2005 lid werd van de socialistische propagandagroep Offensief. Ik heb me daarom door de jaren steeds meer ontwikkeld als iemand die staat voor strijdbaarheid, basisorganisatie, democratie, internationalisme en een helder socialistisch alternatief. Ik heb deze zaken ook keer op keer, vaak tegen de stroom in, verdedigt binnen de partij, met als doel de partij te versterken en uit te bouwen tot massapartij van de werkende klasse.

De partijleiding scheen echter genoeg te hebben van mijn kritische inbreng en in september afgelopen jaar kreeg ik een brief van deheer van Heijningen met de mededeling dat ik lid was van twee partijen en dien gronde geroyeerd werd uit de SP. De absurditeit van een dergelijk bureaucratische truc zal u niet ontgaan. Samen met mij werd ook Barbara Veger uit Rotterdam geroyeerd met dezelfde reden. Het moet hierbij genoteerd worden dat ik niet uitgezet ben via het gebruikelijke kanaal, een stemming op de afdelingsvergadering, maar direct via de partijleiding.

Mijn oproep is daarom ook aan de partijleiding, en aan jou als kersvers politiek leider, om de royering van mij en Barbara terug te draaien zodat we weer lid kunnen worden van de partij. We zullen hierin zeker onze kritische inbreng blijven hebben en op blijven komen voor een helder socialistisch alternatief, maar zullen graag onze steen bijdragen aan de campagne voor de landelijke verkiezingen in juni en de uitbouw van de partij daarna!

Met strijdbare groet,

Emil Jacobs
Sittard

We zullen de reactie afwachten.

Post tags:

Autor: Emil

~ 10/03/10

Heiko Khoo, al zo’n 30 jaar actief als Marxist en tot voor kort lid van de IMT, spreekt elke zondag op de “Speakers Corner” (ik lees nu dat ook in Amsterdam een dergelijke plak bestaat, dat is interessant, alleen jammer dat A’dam niet bepaald om de hoek ligt voor me :( ) in Londen, een plek waar socialisten van allerlei gading hun verhaal aan de man brengen door in begrijpbare taal hun ideeën te verhelderen. Zo ook afgelopen zondag waar Heiko sprak over de rol van internet vandaag en welke kansen Marxisten hierin hebben.

Autor: Emil

~ 08/03/10

Er is van alles gaande de afgelopen weken en maanden in de International Marxist Tendency. In de afgelopen 18 maanden hebben ze zo’n 2000 van de 4500 leden verloren doorheen hun organisatie. Dit lijkt vrij weinig en dat is het natuurlijk ook, het lage aantal is een reflectie van hoe klein revolutionair links eigenlijk is. De afgelopen weken gaan de ontwikkelingen echter zeer snel allemaal. Dus ik maak er even een overzichtje van.

Allereerst: IMT? Watte? Juist ja. Offensief is onderdeel van het Committee for a Workers International, een internationale organisatie actief in zo’n 40 landen op alle continenten. Het CWI werd opgericht in 1974 en groeide uit tot een vrij invloedrijke revolutionaire vleugel in de oude arbeiderspartijen.

Deze situatie veranderde volledig met de val van de Stalinistische regimes en de verrechtsing van de arbeiderspartijen, zoals de PvdA in Nederland. Binnen het CWI had dat ook haar weerslag en creëerde dat een split in de organisatie waarin een aantal leidinggevende leden, zoals Ted Grant en Alan Woods, een nieuwe “internationale” opzette, dit werd uiteindelijk de IMT. Lees vooral op wikipedia meer hierover.

Offensief in Nederland is nooit gesplit in een CWI en IMT groep, maar ook hier vind je tegenwoordig een “IMT afdeling” die Vonk heet, effectief een eenmansblog. Mijn “working assumption” is dat hij vanuit Vlaanderen gestuurd is om iets op te zetten in Nederland. In België kende we helaas wel een split, die was destijds vrijwel precies door het midden met zo’n 30 leden aan beide kanten. Onze afdeling, de LSP, is sindsdien in krachten en invloed gegroeid, de Belgische Vonk heeft nog steeds om en de nabij de 30 leden omdat ze star blijven vasthouden aan het werken in de Vlaamse variant van de PvdA, de SP.a.

Anderhalf jaar geleden was er een grote split in de Pakistaanse sectie van de IMT. Deze sectie was altijd hun grootste met zo’n 2500 tot 3000 leden. Hiervan verloren ze op z’n minst 1000 leden. Dit gebeurde nadat ze een leidinggevend lid van deze sectie, Manzoor, zonder pardoes uit de organisatie hadden gezet, na jarenlang een grote held van de IMT te zijn geweest. Hij was bijvoorbeeld hun enige parlementariër. Veel leden pikte dit dus niet zonder meer en vertrokken. De Pakistaanse sectie is nog steeds de grootste, maar heeft nu nog maar 1000 tot 1500 leden.

Een paar weken geleden was er opeens een nieuwe ontwikkeling waarin een conflict tussen de Spaanse leiding en de internationale leiding in Londen werd “opgelost” door de Spaanse leiding uit de IMT te zetten en splits te organiseren (!) in de Spaanse, Venezolaanse, Colombiaanse en Mexicaanse secties tussen een veelal “ontrouwe” meerderheid en “getrouwe” minderheid. De Spaanse sectie was de geldkoe voor de IMT, het was de grootste sectie in Europa, veel groter dan bijvoorbeeld de Britse sectie zelf dat niet verder komt dan 100 leden.

En de afgelopen dagen, vrijwel parallel aan deze ontwikkeling, ontstond er een internationale fractie, gestart door de secties van Zweden, Polen en Iran. Hieraan sloot zich kort erna ook een Britse minderheidsfractie aan. Deze fractie wierp politieke vraagstukken op rondom democratie en de bureaucratische organisatie. Met name Heiko Khoo, lid sinds 1981 en iemand die bijvoorbeeld de IMT “landmarker” op het internet heeft gezet met bijvoorbeeld de website marxist.com, wierp zich op als een pleiter voor meer openheid en democratie.

Een van zijn stellingen is dat hoewel democratie natuurlijk altijd al een belangrijk vraagstuk is geweest voor Marxisten, dit nieuwe tijdperk – het tijdperk van het internet – het “democratisch centralisme” ondermijnt. Met “democratisch centralisme” moet worden opgemerkt dat hij een cultuur bedoeld die we beter kunnen omschrijven als bureaucratisch centralisme, oftewel een cultuur waarin alle discussie van hoger hand wordt bepaald, deze altijd intern moet plaatsvinden via de “democratische structuren” en waarin leden die zich organiseren rondom bepaalde discussiepunten, worden ontmoedigt. In deze tijd, waarin instant communication tussen personen wereldwijd de norm is, zijn dergelijke organisatievormen niet alleen ondemocratisch (dat waren ze al), maar ook volledig achterhaald.

Welnu, deze internationale fractie had een interne website opgezet waarin IMT leden konden discussiëren over deze zaken. Binnen enkele weken begon het “uit de hand” te lopen voor de leiding in het internationaal secretariaat van het IMT en beveelden ze Heiko om de website offline te halen voor afgelopen woensdag, waarin hij gehoorzaamde. Eergister ging de leiding rondom Alan Woods nog een stapje verder en zette ze Heiko maar helemaal buiten de organisatie, zonder dat hij de kans had om zich te verdedigen.

Hoe ik dit allemaal weet? Heiko heeft een dikke middelvinger opgestoken richten de bureaucraten in Londen en de interne discussie site weer online gezet en deze zelfs publiek gemaakt, je kunt hem vinden op www.karlmarx.net en hier vind je werkelijk een schat aan documenten die een goed beeld geven over de interne cultuur van de IMT. Als je het zo leest realiseer je je dat het niet voor niets was dat de leiding zo panisch is voor openheid van discussie. Ze is simpelweg incapabel om een fatsoenlijk inhoudelijke discussie te voeren en grijpt daarom terug op bureaucratische trucs. Heiko heeft hierover ook een bijdrage gedaan op een IMT Winterschool waarin hij dergelijke structuren analyseert.

Vandaag werd bekend dat de IMT leiding erop heeft aangedrongen om de Iraanse sectie uit de organisatie te zetten en dit ze ook is gelukt. Dit voorspelt weinig goed voor de Polen en Zweden, ik gok dat het nog een kwestie van dagen is voordat ook zij vertrokken zijn of uitgezet zijn.

Hoe verder? Het moge duidelijk zijn dat de meltdown in de IMT nog maar net begonnen is en elke actie die hun internationale leiding onderneemt lijkt de boel alleen maar te verergeren en te versnellen. De vraag mag zo onderhand gesteld worden of het IMT over een jaar nog wel bestaat…

Wat kunnen we hiervan leren? Een heleboel dingen en daar zal ik in de toekomst nog wel vaker op ingaan. Voor nu voldoet het even om te stellen dat bureaucratie niet iets unieks is binnen de rechtervleugel van de arbeidersbeweging, zoals in de Nederlandse SP, maar vrij universeel is. Het gaat m.i. om vrij elementaire menselijke karaktertrekjes zoals conservatisme en routinematigheid (bij oudere mensen) en hyperactiviteit en ongeduld (bij jongeren), een angst om je positie kwijt te raken, prestige, etc, etc.

Socialisten moeten serieus zijn hierin en ik hoop dat er wat meer grondig onderzoek voorhanden is op dit gebied. Het gaat erom zekeringen in te bouwen die dergelijke structuren uit de weg gaan ipv ondersteunen. Hierover zal ik de komende tijd ook vast nog meer gaan schrijven.

Autor: Emil

~ 06/03/10

Sonja plaatste een vraag in m’n blogpost over de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen, ze vroeg: “Ik lees hier eigenlijk voor het eerst dat er een ‘rechtervleugel’ zou bestaan in de SP. Dar zou ik graag wat meer over lezen.”

Het lijkt me inderdaad nuttig om daar op in te gaan. Om meteen helder te zijn: met “rechts” binnen de SP heb ik het niet over wat men in algemene termen begrijpt als politiek rechts (liberalisme, etc.), maar over sociaal-democratisch rechts. Ik ga hiermee eigenlijk terug naar de definitie zoals die gebruikelijk was vóór 1914, toen de sociaal-democratie in fragmenten brak met de linkervleugel die uiteindelijk de Communistische Partijen zouden gaan vormen na 1917. Het is dus een relatieve plaatsbepaling.

Waarom gebruik ik deze definitie? Om een paar redenen:

  • De arbeidersbeweging is in velerlei wijzen weer terug bij “square one”. Er zijn een aantal historische parallellen te trekken met de periode van voor 1880. Maar het gaat te diep om daar nu op in te gaan.
  • De dominante ideeën binnen de leiding van de arbeidersbeweging zijn terug te voeren op de theorievorming van de rechtervleugel van de oude sociaal-democratie.
  • Het is daarom nuttig de rechtervleugel als zodanig te benoemen, zodat daar een helder alternatief tegenover kan worden gezet.

Het boek Revolutionary Strategy (je kunt hem kopen, of downloaden met een beetje zoeken) van Mike Macnair stelt de definitie vrij helder. Ik zal hem daarom behoorlijk wat citeren:

Aan het einde van hoofdstuk 1:

Around the turn of the 19th and 20th century we can identify roughly three ‘strategic hypotheses’ in the socialist movement. The right wing is traditionally identified with reference to Eduard Bernstein’s Evolutionary socialism, though it in fact included various forms of ‘pure trade unionist’ politics, ethical socialism and so on. The centre can be identified roughly with reference to Karl Kautsky’s (relatively late) The road to power. The left can similarly be identified, even more roughly, and equally on the basis of a late text, with Rosa Luxemburg’s The mass strike, the political party and the trade unions. “Even more roughly” because Luxemburg’s position is in some respects intermediate between the Kautskyites and the core of the left. Both the content of the debate in the Second International and its limitations are essential if we are to understand modern strategic questions rather than merely repeating old errors.

In hoofdstuk 2:

The right: reform v ‘utopianism’

The underlying common idea of the right wing of the movement was that the practical task of the movement was to fight for reforms in the interests of the working class. In order to win these reforms, it was necessary to make coalitions with other tendencies which were willing to ally with the workers’ movement. And in order to make coalitions, it was necessary in the first place to be willing to take governmental office: it was by creating a coalition government that the possibility really arose of legislating in the interests of the working class, as well as of administrative measures (creating social security systems, etc).

Secondly, it was necessary to be willing to make substantial political compromises. Thus Engels, in The peasant question, polemicised against Vollmar’s programmatic concessions to the peasantry in relation to positive subsidies for family farming and in relation to trade union issues affecting agricultural labourers employed by small farmers.

The largest compromise – but, from the point of view of the right, the smallest – would be for the workers’ party to abandon its illusory and futile revolutionism; and, with it, equally illusory Marxist claims about crisis, and the notion that in an economic downswing reforms, as concessions made to the working class, would tend to be taken back unless the working class took political power into its own hands.

In the view of the right, the revolutionism was, after all, already empty of content. The German party, for example, did not call openly for the replacement of the monarchy by a republic and, though the Erfurt programme contained a good set of standard democratic-republican demands (for example, universal military training, popular militia, election of officials, including judges, and so on), these played only a marginal role in the party’s agitational and propaganda work.

The claim that economic downswing would produce attacks on concessions already made could perfectly well be conceded by rightists as true of the bourgeoisie; but the argument that this was also true of the state depended on the claim that the state was a class instrument in the hands of the bourgeoisie, and was thus intertwined with revolutionism.

The right did not simply argue that getting rid of revolutionism would make the workers’ party into a respectable party with which other parties could do business, and which could therefore achieve coalitions, and hence concessions. It also offered a variety of theoretical objections to Marx and Engels’ arguments, based on christianity, Kantianism, nationalism and early appropriations of the marginalist economists’ critiques of Marx. A relatively sophisticated version was Bernstein’s Evolutionary socialism, which argued that the scientific approach of Marx and Engels was diverted by their residual Hegelianism into a utopian revolutionism.

The actual content of the various theoretical objections to Marxism need not be considered here. The core question is the relative value of Marxist and ‘constitutionalist’ arguments in terms of predictive power and, hence, as a guide to action. To address this question it is necessary to separate the rightists’ positive claim – that coalitions based on programmatic concessions can win real reforms – from their negative claim, that ‘revolutionism’ is unrealistic, worthless and illusory.

The right’s positive claim

It should be said right away that the positive claim is true, to the extent that we are willing to treat partial gains for particular groups of workers (eg, workers in Britain; or workers in industry; or in particular industries) as gains for the working class as a whole.

This does not, in fact, depend on the workers’ party being a minority party and hence in need of formal coalitions. If the workers’ party presents itself purely as a party of reform, it will also win members and voters from the existing parties of reform. It may then, like the British Labour Party after 1945, become a party which is in form a workers’ party capable of forming a government on its own, but is in reality in itself a coalition between advocates of the independent political representation of the working class on the one hand, and liberal or nationalist-statist reformers and political careerists on the other: to use Lenin’s very slippery expression, a “bourgeois workers’ party”.

The positive claim is, however, illusory as strategy. Part of this illusory character is due to the fact that the negative claim is false. But part of it is internal. The policy of coalitions based on programmatic concessions is, as I said earlier, based on the need to form a coalition government in order to get effective reforms. But this supposes from the outset that reforms will take the form of state action to ameliorate the situation of the workers. The reform policy is therefore a policy for the growth and increasing power of the state and increased state taxation: as the Conservative press puts it, for the “nanny state”.

The internal problem is that working class people are no more fond of being in perpetual parental leading-reins from the state than the middle classes: the aim of the emancipation of the working class is an aspiration to collective and individual freedom. The policy of reform through coalition governments therefore contains within itself – quite apart from the falsity of the negative claim – the seeds of its own overthrow. The petty tyrannies of the council house manager, the social services officials, the benefit officials, etc, become the ground of a conservative/liberal reaction against the “nanny state” among important sections of the working class.

This is not merely a British phenomenon (the Thatcher victory in 1979). It was seen in the largest possible scale in the fall of the Stalinist regimes in 1989-91. And it has characterised the French, German and Italian electoral cycles and those of Australia, Canada and the US at least since the 1970s (in the case of the US, the Democrats play the role of the reformists).

The right’s negative claim

The predictive failure of the reformists’ negative claim results, most fundamentally, from the national limit of its horizons. Capitalism forms itself, from its beginnings, as a global socioeconomic formation. It is an international greasy-pole hierarchy of competing firms. Within this formation the nation-state is unavoidably a firm, and there is also a hierarchy of competing states. The understanding that the nation-state is a firm competing in the world market is a trivial commonplace of modern capitalist politics: the need to preserve or improve ‘British competitiveness’ is a constant mantra of both Labour and Tories, and equivalents can be found in the major parties of every country. It also forms part of Marx’s criticism of the Gotha programme (quoted in chapter one). To form a government within this framework therefore necessarily commits the participants to manage the interests of the nation-state in global competition.

Success in this competition allows the basis for reforms in the interests of the national working class. Or, more exactly, of sections of the national working class: there are always groups (particularly workers in small firms, young workers, migrants, etc) who must be excluded for the sake of compromise with the middle class parties, as Engels predicted in criticising Vollmar. But success is not ‘purely economic’. Capitals are able to externalise the costs of economic downswing onto weaker states and the firms (and landlords, petty producers, etc) associated with these states. Competition on the world market is thus military-political-economic.

The policy of reform through coalition governments thus entails (a) the displacement of the downswing of the business cycle onto the weaker states and their firms and populations; and (b) the displacement of the social polarisation which capitalism produces onto polarisation between nations. On the one hand, this gives the reformists’ negative claims their credibility: reforms are actually achieved and social polarisation is reduced in the successful states. On the other, the reformists necessarily commit themselves to sustaining and managing an imperial military force.

Sentimental objections to imperialism and foreign adventures, and the residual commitment to the ideas of universal military service and a people’s militia, inevitably give way, once reformists are actually in government, to the hard needs of sustaining the state’s success and standing in the global hierarchy, which is the only means by which reforms can be sustained.

Even this success at the price of bloody hands cannot forever be sustained, because externalising the business cycle has its own limits. As a world top-dog state, like Britain or the US, and the lead industrial sectors associated with this state, enter into decline, the externalised downswing phase of the business cycle returns, affecting not only them, but the other states near the top of the global hierarchy. Competition between these states intensifies. As a result, if the state as a firm is to remain globally competitive, it must endeavour to take back the reforms which have been given and drive wages and working conditions down towards the global average (their true market value). The project of reform through coalition government thereby comes to offer ‘reformism without reforms’ or merely the ‘less bad’ (Blair in preference to Major, and so on).

But every other state is also doing the same thing and, the more they do it, the more global effective purchasing power declines, forcing more attacks … in reality, this is merely the downswing of the business cycle postponed. It is accumulated in time and displaced onto a global scale, returning as global market pressure on the nation-state. The downswing of the ordinary business cycle must end in bankruptcies, which both free productive capital from the claims of overproduced fictional capital to income, and devalorise overinvested physical capital. It is the bankruptcies which free up space for a new economic upswing.

In the same way, the global downswing must end in the destruction of the global money and property claims of the declining world hegemon state: Britain in 1914-45; the US at some point in this coming century. In its (ultimately futile) efforts to put off this result, the declining world hegemon state must respond by an increased exploitation of its financial claims and its military dominance – as Britain did in the later 19th century, and as the US is doing now. The deferred and transposed business cycle can only overcome this problem by ending in war.

At the point of global war between the great powers, the illusory character of the policy of reform through coalition government becomes transparent. All that maintains the reformists are mass fear of the consequences of military defeat, and direct support from the state in the form of repression of their left opponents. Thus both 1914-18 and 1939-45 produced major weakening of the reform policy within the workers’ movement and the growth of alternatives. In the event, after 1945 the destruction of British world hegemony enabled a new long phase of growth, and reformism was able to revive. We are now on the road to another collapse of reformist politics … but what is lacking is a strategically plausible alternative.

(Nadrukken door de schrijver)

Hoewel de SP natuurlijk niet een-op-een te vergelijken is met de sociaal-democratie van een eeuw geleden, is het mijn stelling dat de partij wordt gedomineerd door een dergelijke rechtervleugel. (Relatief) links staat hierin historisch zwak, geïsoleerd, gedesorganiseerd. Dit heeft de rechtervleugel het mogelijk gemaakt om de partij naar haar evenbeeld te vormen en structuren te creëren die haar positie in stand houden. Dus: Een centralistische top-down en volledig ondemocratische partijstructuur met een cultuur waarin politieke discussie (voor zover ze plaatsvind) louter een interne aangelegenheid is, waarin verschillen tussen leidinggevende partijleden worden verstopt voor de partijleden, waarin politieke scholing van een zeer laag niveau is (aangezien politieke scholing betekend dat leden de capaciteit ontwikkelen om zelfstandig geïnformeerde beslissingen te nemen en ideeën te vormen), waarin arrogantie van full-timers en pesterijen van gewone leden door permanente leidinggevenden de norm is, waarin een tendens bestaat om politieke meningsverschillen “op te lossen” door persoonlijke aanvallen of zelfs karaktermoord, en waarin daardoor een groeiende dominatie bestaat van een groeps-denken die steeds minder zelfstandig denken toelaat en waarin leden de agenten worden van deze cultuur van censuur waarin iedere vorm van zelfstandig denken wordt gezien als aanval op de “partij” en zelfs je “loyaliteit aan de partij” ter discussie wordt gesteld als je volhoud.

Ik hoop dat dit een beter beeld geeft van wat ik versta onder “rechtervleugel”, hoewel “vleugel” voor een vrijwel alles dominerende groep een beetje een understatement is. Ik zal in een latere blogpost ingaan op wat ik dan versta onder “linkervleugel” en wat het alternatief is en welke strategie nodig.

Autor: Emil

~ 26/02/10

En dan nu een stukje achtergrond. Sinds een paar maanden heb ik wat spul gelezen van Paul Cockshott, verbonden aan de universiteit van Glasgow en sinds jaren theoretiseert hij over socialistische vraagstukken. Hij biedt daarin naar mijn bescheiden mening waardevolle inzichten. Een van zijn stellingen bijvoorbeeld is dat verkiezingen helemaal niets te maken hebben met democratie, maar juist een fundamenteel oligarchisch mechanisme is.

Waar ik het vandaag over ga hebben is een andere tekst die in samenwerking met Allin Cottrell en Heinz Dieterich is geschreven en een paar dagen terug bij een conferentie in Berlijn werd gepresenteerd. Het stuk heet Transition to 21st Century Socialism in the European Union (klik de link voor de PDF, 20 pagina’s).

Het stuk is erg interessant, omdat het breekt met een aantal “heilige huisjes” op de revolutionaire linkerzijde. Om even op te sommen van pagina 4 zijn er drie kernpunten in het stuk:

1. Ze plaatsen niet de nationalisatie van de industrie als het centrum van hun programma. In plaats daarvan legt het de focus op een positieve claim van werkende mensen op de volledige vruchten van hun arbeid. (Dit betekent simpelweg: de meerwaarde van gedane arbeid verdwijnt niet in de zakken van de baas als “winst”, maar behoort direct toe aan de arbeider).

2. Het stelt een radicale hervorming voor van het monetaire systeem waarbij de economie moet gaan draaien naar een niet-geld “equavalente economie” dat gebaseerd is op arbeidstijd. (Dit betekent zoveel als: jij werkt x uur, dus je kunt voor x uur  kopen).

3.  Het stelt vast dat een dergelijke omvorming niet mogelijk is op nationale basis, maar op continentale basis en stelt daarom een aantal democratiseringsstappen voor om de EU te verbeteren.

Ik zal me in deze post richten op vooral het eerste punt. Nationaliseringen hebben namelijk altijd een vrij prominente plaats ingenomen op socialistische programma’s. Dit is vanwege de analyse die terug gaat tot Adam Smith en Karl Marx dat arbeid de bron is van alle waarde (echter niet alle welvaart, aangezien de natuur bijvoorbeeld ook welvaart creëert, maar op zichzelf “waardeloos” is voor de kapitalist). Bijvoorbeeld: Als jij 8 uur werkt dan creëer jij nieuwe producten die een waarde hebben, en omdat het nieuw gecreëerde waarde is, noemen we dit meerwaarde. Stel jij creëert voor 1000 euro aan producten per werkdag van 8 uur. Die 1000 euro krijg jij echter niet te zien, die is in zijn geheel voor je baas. Je baas geeft jou echter een loon van 120 euro voor jou diensten die werkdag. Loon is hierbij dus slechts een vergoeding de je krijgt omdat jij jouw potentieel tot arbeid ter beschikking hebt gegeven aan je baas die acht uur.

Vakbondsstrijd beperkt zich dus vaak tot deze vergoeding, maar deze strijd roept een kernvraag op: Wie is de baas over de meerwaarde? Marxisten staan hierbij onvoorwaardelijk aan de zijde van diegenen die hem creëren: de werkende mensen. Nu is het zo dat de meerwaarde wettelijk toebehoort aan de kapitalisten, omdat zij het bezitrecht hebben over de bedrijven, infrastructuur en de economie als geheel, dit zijn de productiemiddelen. Marxisten stellen daarom voor om de productiemiddelen uit handen van de kapitalisten te nemen, te nationaliseren. Maar met nationaliseringen zijn er wat problemen.

In de eerste plaats is er een punt over compensaties of niet. Pakken we de boel af of compenseren we de kapitalisten? Pak je de boel simpelweg af dan hebben de kapitalisten al vrij snel het morele gelijk aan hun zijde, waarmee verzet hiertegen erg effectief kan worden. Compenseer je de kapitalisten naar de prijs die ze vragen (“marktwaarde” of meer), dan betaal je je blauw en zijn nationalisaties van grote delen van de economie de facto daarom onmogelijk (wat precies de bedoeling is voor de bazen). Veel socialisten hebben hier als antwoord voor dat er enkel op “noodzakelijke basis” gecompenseerd dient te worden. Bijvoorbeeld een pensioenfonds die aandelen heeft in een bedrijf dat je nationaliseert wil je compenseren, anders kom je aan de pensioensvoorziening, wat natuurlijk erg populair gaat zijn. Maar dit heeft nog steeds het probleem van het “morele gelijk” aan de zijde van de kapitalisten en blijft daarmee alleen uitvoerbaar als het bedrijf faalt en bijvoorbeeld massa-ontslagen vallen. Chavez in Venezuela volgt deze weg en na tien jaar van hem aan de macht is de Venezolaanse economie nog steeds voor het overgrote deel in handen van kapitalisten, die overigens alles in het werk stellen om Chavez weg te krijgen.

In de tweede plaats hoeft een nationalisatie natuurlijk niet altijd progressief te zijn, zoals we hebben gezien bij de nationalisaties van de banken, bijvoorbeeld de ABN Amro. Het artikel heeft hier trouwens een scherpe blik over: Wiens belangen werden bij deze bank reddingen gediend? Die van gewone burgers? Zeer zeker niet! De bankgaranties zijn in veel landen zeer royaal te noemen en veel mensen komen niet eens in de buurt van de grens van die garantie. Maar kapitalisten hebben miljoenen of miljarden op een bank staan. Als zo’n bank dan omkiept dan is zo’n garantie van 100 000 euro zoals in het Nederlandse geval) redelijk waardeloos. Omvallen was dus geen optie, wilde men het kapitalistisch systeem redden. En dus werden de banken gered, waar wij nu voor mogen bloeden, ook bij een volgend kabinet, maar dit even terzijde.

Nationalisaties hoeven dus niet per se progressief te zijn, aangezien ze overgenomen worden door een kapitalistische staat die kapitalistische belangen dient. Slechts onder massale druk kan ze zich ook anders opstellen en bijvoorbeeld nationaliseren om banen te redden, maar dit is eerder uitzondering en slechts tijdelijk van aard. Hiermee worden nationaliseringen dus iets wat alleen praktisch uitgevoerd kan worden binnen de context van een socialistische staat, waarmee de hele kwestie eigenlijk onuitvoerbaar is voor het hier en nu. Een andere oplossing hiertegen is om nationalisaties te doen onder democratische controle en beheer van de werknemers (en, waar toepasbaar, de consumenten), maar binnen de context van een kapitalistische economie kun je geen socialistische eilandjes opbouwen, dergelijke coöperaties moeten nog steeds werken volgens kapitalistische spelregels, willen ze overleven.

Ten derde is er ook nog eens een paradox, immers waarom zou je oproepen voor nationalisaties door de staat als je juist diezelfde kapitalistische staat wilt omverwerpen en vervangen door een socialistische? Ook hierom verdwijnt de kwestie van nationalisaties effectief achter de horizon van de revolutie.

Ten vierde is er een pedagogische kwestie. Als je serieus bent over de basisstelling van Marx dat de “bevrijding van de werkende klasse alleen het werk kan zijn van de werkende klasse zelf”, dan is ook hier van een paradox sprake. Er is immers vrij weinig van zelfbevrijding sprake als het enige wat je hoeft te doen is om de overheid onder druk te zetten om de boel te nationaliseren, wat op zichzelf natuurlijk een behoorlijke prestatie zou zijn overigens, maar geen weg naar socialisme waarvoor juist de weg van de zelf-organisatie van de werkende klasse nodig is. Door deze basisstelling is democratie overigens een kernkwestie voor socialisten, maar hierover meer in een andere blogpost.

Er zijn vast nog meer problemen te bedenken met nationalisaties, maar ik laat het even bij deze. Paul Cockshott et al hebben een nogal elegante oplossing voor deze kwestie: Vergeet dat hele nationaliseren! Eigenlijk gaat het helemaal niet om de bezitrechten van de productiemiddelen, maar ging het zich juist om wie de baas was over de meerwaarde. Dus, why not cut to the chase en tackle die kwestie direct? Dat is precies wat Cockshott voorstelt, door hetzelfde te doen als wat de Amerikanen deden via hun 13e amendement op hun grondwet, waarin ze slavernij verboden en daarmee bijvoorbeeld de hele kwestie van het compenseren van de slaafhouders ontweken. Waarom niet hetzelfde doen met loonslavernij? Dit heeft een emancipatorische waarde aangezien de werkende klasse zelf de beschikking heeft over haar gecreëerde meerwaarde, het is democratisch en je vermijd het punt van compensaties.

Misschien is dit iets voor de SP om haar volgende verkiezingscampagne op te voeren: Een grondwettelijke campagne waarin een amendement wordt opgenomen dat garandeert dat arbeiders recht hebben op de volledige waarde van hun arbeid. Daar zal deheer Wientjes vast minder blij mee zijn…

Wordt vervolgd: Over het monetaire systeem en de EU zal ik nog schrijven, maar niet meer vandaag ;)

Post tags:

Autor: Emil

~ 21/02/10

Nu de kater van het feestvieren naar aanleiding van de val van het kabinet een beetje aan het wegzakken is, is het tijd voor een nuchtere analyse. Waar staan we nu en wat is de weg vooruit?

Maurice de Hond heeft weer een peiling uitgebracht wat altijd een goed overzicht geeft. En het beeld voor links in het parlement staat er niet erg florisant voor. “Officieel links” (PvdA, SP, GroenLinks) heeft gezamelijk welgeteld 43 zetels (om de een of andere reden rekent Maurice de liberale de-bezuinigingen-gaan-niet-snel-genoeg D’66 ook tot links, waarmee het aantal op 63 komt). De PvdA spint wat garen bij de val en stijgt van 15 naar 19 zetels. Maar SP zakt van 13 naar 11, een zes-jarig diepte record.

Zoals Pieter Brans in zijn analyse duidelijk maakt is het vooral rechts die wint, met name D’66 en de PVV, maar ook de VVD gaat er wat op vooruit. CDA verliest fors ten opzichte van wat ze nu hebben: maarliefst 15 zetels, maar blijft paradoxaal genoeg de grootste partij.

Wat betekent die allemaal? In de eerste plaats dat een volgend kabinet waarschijnlijk uit vier partijen zal bestaan, maar dan nog maar een krappe meerderheid zou hebben (CDA + VVD + D’66 + CU zou net 76 zetels zijn volgens de laatste peiling). Dit is een recept voor instabiliteit. D’66 zal wel oppassen om niet te impopulair te zijn, na de vernedering uit 2006. CDA staat historisch erg zwak (zwakker dan tijdens Paars, toen ze in de oppositie zat). Rechts is numeriek wel sterker, maar ook erg verdeeld.

En de PVV? Die heeft geen interesse in coalitiedeelname. Gister maakte Wilders voor de grap nog de opmerking in NOVA dat het wel eens om een “premier Wilders” zou kunnen gaan na de verkiezingen, maar dat zou een nachtmerrie scenario voor hem zijn. Het blijft een neoliberaal in een racistisch-populistisch jasje en hij weet dat dergelijk beleid stemmen zou kosten. Hij zit een beetje met een probleem, immers het CDA zou na de verkiezingen weleens dezelfde tactische zet kunnen maken als ze destijds met de SP gedaan heeft in 2006: Nodig Wilders doodleuk uit voor de coalitieformatie. Wilders zal weigeren, wat hem óók stemmen kost.

Maar de positie van de SP is rondweg alarmerend. 11 zetels is 14 minder dan nu en slechts twee meer dan ten opzichte van de verkiezingen in 2002 en 2003. Hoe dan ook een zware klap. Ik schrijf dit toe aan twee factoren:

1. De SP heeft weliswaar onvoorwaardelijk steun gegeven aan de FNV in de AOW strijd, maar dit bleef te beperkt. De partij heeft nog steeds geen helder antwoord op wie nu eigenlijk de crisis moet gaan betalen. Waar blijft het linkse antwoord op de aangekondigde (en nu dus geparkeerde) 35 miljard aan bezuinigingen? Dat is een serieus probleem aangezien de partij zo haar anti-establishment positie heeft verspeeld aan het populistisch gekrakeel van Wilders.
2. Nu de PvdA onder druk staat heeft dit dus blijkbaar een uitwerking op de SP. De PvdA, ondanks dat ze massaal aan invloed heeft verloren de afgelopen 20 jaar en ontzettend naar rechts is opgeschoven, wordt toch nog gezien als “links”. Nu “links” in de verdrukking komt, lopen wellicht daarom een laag aan SP-stemmers weer terug naar de PvdA, ook omdat deze laatste nu zeer waarschijnlijk in de oppositie komt te zitten.

Dat dit niet slechts een tijdelijke “weersomslag” is laat de ledenontwikkeling van de SP ook zien. Per 1 januari staat de partij op 46 000 leden, vierduizend minder dan een jaar ervoor, toen de boel stagneerde ten opzichte van een jaar dáárvoor.

Wat is dus de weg vooruit? De koers van de SP moet simpelweg anders. De illusie om in het kabinet te komen om een “progressieve” rol te vervullen zal op dit moment minder zijn, maar is niet verdwenen. Nog steeds bestaat er binnen de partij het dominante idee dat om vooruitgang te boeken een plaats in het kabinet onontbeerlijk is. Deze realpolitik maakte het dat de partij de afgelopen jaren steeds verder naar rechts opschoof. Meest in het oog springende voorbeelden hiervan waren de acceptatie van het Nederlands NAVO lidmaatschap en het laten varen van een expliciet republikeins standpunt. Wat meer verscholen was het ook merkbaar in wat er níét werd gezegd, bijvoorbeeld het terugdraaien van de verslechteringen in de gezondheidszorg van de afgelopen jaren. De politieke lijn is er steeds een geweest van het er bij de bestaande orde neerleggen en er slechts de scherpste kantjes af te halen.

Hiertegen moet een linkse strategie komen. Er moet de realisatie komen dat rechts in Nederland slechts kan regeren omdat de arbeidersbeweging zo zwak staat. Een strategie voor het uitbouwen van een linkervleugel binnen de partij, tégen de salonfähige dominerende rechtervleugel, is absolute noodzaak wil de partij een nieuwe sprong vooruit maken en niet verder afglijden naar een ramp. Hiervoor is het nodig dat de vaak individueel geïsoleerde linkse partijleden zich gaan organiseren en met een positief alternatief komen op de rechtervleugel.

Een begin met een dergelijke linkse strategie is een serieuze politieke evaluatie van Heel de Mens, het onderwerp van het afgelopen congres. Links in de SP moet zich niet neerleggen bij de tamme conclusies dat het allemaal zo’n succes was en is en hier serieuze vragen bij stellen. Een politieke evaluatie en discussie hierover is nodig. Dit zou de basis kunnen leggen voor een meer fundamentele discussie over socialistische oplossingen. Ik zal hier de komende maanden meer over schrijven.