Andere sites
Blogroll
Categories
Tags
Pages
Meta
Archives
Autor: Emil
~ 12/06/10
Ik kwam pas deze video tegen en hij is het verspreiden waard. Het is een inleiding over een discussie over democratie en hoe communisten daar naar kijken. De inleiding is door twee personen, Mike Macnair van de Communist Party of Great Britain en Moshé Machover (onder meer een anti-zionistisch Joodse communist). Mike vertelt eerst over het tekort van democratie in onze huidige maatschappij en hoe zich dat uit, Moshé gaat in op hoe democratie er onder een communistische maatschappij vorm krijgt. Veel kijkplezier!
Autor: Emil
~ 20/05/10
Gisteren kopte de Volkskrant op de voorpagina “Akkoord sancties VN tegen Iran”. In het korte artikel wordt lovend gesproken over een “belangrijke diplomatieke overwinning” voor de Amerikanen nu Rusland en China, alle drie permanent lid van de VN veiligheidsraad, waarschijnlijk instemmen met sancties tegen Iran, waarvan de inhoud tot dusverre onbekend is. Maar het zijn de Iraanse arbeiders, jongeren en armen die geraakt zullen worden door sancties, terwijl het islamitisch regime in Teheran er alleen maar sterker op wordt.
Het akkoord tussen de imperialistische grootmachten is een antwoord op het eerder deze week aangekondigde verdrag tussen Iran, Turkije en Brazilië, zo meldt de Volkskrant. In dat akkoord, zo vermeldt de krant dan weer niet, zou Iran 1200 kilo laagverrijkt uranium verschepen naar Turkije en Brazilië waarvoor ze ongeveer 120 kilo hoogverrijkt uranium terug krijgen, geschikt voor energieopwekking, ongeschikt voor wapens.
“Maar”, zo gaat het Volkskrant artikel verder, “Washington wijst erop dat Iran niet is gestopt met het verrijken van uranium, wat strijdig is met eerdere VN-resoluties.” En “De regering-Obama, die een jaar lang heeft geprobeerd besprekingen te voeren, is er nu van overtuigd dat alleen harde sancties Iran van de vervaardiging van een atoomwapen kunnen afhouden.”
De afgelopen maanden werden we vrijwel dagelijks door de media gebombardeerd met het “nucleaire gevaar uit Teheran” aan de ene kant en de pogingen van de VS om sancties op te leggen aan de andere. Je zou eventueel kunnen denken dat de VS, de enige militaire supermacht, de wereld probeert te behoeden voor een “gevaarlijke staat” die over nucleaire wapens zou komen te beschikken. Een dergelijk idee staat echter nogal ver af van de werkelijkheid.
De massale protesten het afgelopen jaar hebben de Iraanse staat niet alleen sterk verzwakt, maar hebben ook de heersende klasse zodanig verdeeld dat het onwaarschijnlijk is dat men intern een oplossing vind voor het probleem. Neoliberale politiek en bestaande sancties hebben gezorgd voor een economische crisis, een inflatiecijfer dat oploopt tot wel 50% en een jeugdwerkloosheid van 70%. Dus wat is het probleem? Waarom is de VS en de wereldmedia zo geobsedeerd door het “Iraanse gevaar”? Een “gevaar” dat bedwongen moet worden met weer nieuwe sancties?
De bedreiging heeft weinig te maken met nucleaire wapens. Geheime diensten en wetenschappers zijn het unaniem eens dat Iran nog vele jaren verwijderd is van een dergelijke capaciteit. Andere landen echter, zoals Pakistan en Israël, hebben niet alleen nucleaire wapens, maar weigeren ook nog eens het Non-Proliferatie Verdrag te tekenen. Hierover kraait geen haan.
Waarom dus die obsessie? Er zijn vier redenen aan te wijzen:
- De Iraanse revolutie in 1979 beroofde de VS van een van z’n belangrijkste bondgenoten in een zeer belangrijke regio. De Straat van Hormuz behoort tot de territoriale wateren van Iran en hier doorheen vaart 40% van alle olie die over zee wordt getransporteerd en 20% van het scheepsverkeer over het geheel genomen.
- In een periode van wereldcrisis heeft de VS een vijand nodig om haar autoriteit in de wereld te herstellen. De dreiging van een conflict is ook een goede reden om de defensie uitgaven nog eens op te schroeven. En aangezien er vrij weinig “schurkenstaten” over zijn gebleven, blijft Iran hoog op de agenda.
- Er is nog steeds sprake van een politiek trauma door de vernedering die de Amerikaanse elite heeft geleden van 1979 tot 1981 toen de Amerikaanse ambassade in Teheran werd gegijzeld. Het idee van vergelding speelt nog steeds op de achtergrond.
- Door de oorlogen in Afghanistan en Irak hebben de Amerikanen en haar bondgenoten onbedoeld de invloed van Iran in de regio enorm laten toenemen. De Amerikaanse strategie om de sjiitische invloed terug te dringen en controle over de regeringen van Irak en Afghanistan te behouden, maken het noodzakelijk Iran direct te confronteren.
Aan de kant van Teheran is er een duidelijke noodzaak aan externe vijanden wil het regime overleven. Alleen zo kan het de repressie blijven verdedigen. Sancties en oorlog zijn nodig om economische ellende, lage lonen, werkloosheid en de enorme prijsstijgingen goed te praten.
De VN sancties zijn een concrete stap op weg naar een “legale” oorlog. Sancties die afgelopen maand al afgesproken waren tussen de VS, Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk houden onder meer beperkingen in voor nieuwe Iraanse banken in het buitenland en ook op verzekeringen op vrachtverkeer van en naar Iran. Vooruitlopende op mogelijke sancties op de import van olie-gebaseerde producten stelde de olie-minister, Masoud Mir-Kazemi, alvast dat het land voldoende raffinage capaciteit bezat. Maar in het verleden hield dat paniek hamsteren niet tegen. Iraanse leiders probeerde op hun beurt weer het initiatief naar zich toe te trekken door te stellen dat sancties die het transport van de ruwe olie zouden belemmeren “weleens zouden kunnen leiden tot een langere en intensere economische recessie in de consumentenlanden”(1).
Het Volkskrant artikel vermeld “Doelwit [van de sancties] zijn vooral bedrijven en banken die onder Iran’s machtige Revolutionaire Garde vallen. Buitenlandse handel en kredieten zouden voor deze bedrijven onmogelijk worden gemaakt”. We moeten echter tegen elke vorm van sancties zijn, of deze nu “specifiek en slim” zijn of “breed en dom”. Niet omdat we het regime in Teheran steunen, integendeel. We moeten tegen sancties zijn omdat ze de gewone Iraniër als eerste en als hardste raken.
Na drie decennia van dergelijke sanctie-maatregelen weet het regime in Teheran als geen ander hoe geld is te verdienen met het omzeilen van deze maatregelen. Sommigen claimen zelfs experts te zijn op het gebied nadat ze hun fortuin hadden gemaakt met de VN-sancties op Irak.
Verdere sancties zullen het regime nog een reden geven om de repressie op te voeren, waarin de zondebok voor alle binnenlandse problemen op de externe vijanden wordt gelegd. De anti-dictatuur beweging wordt er allerminst mee geholpen, integendeel, de arbeidersklasse wordt alleen maar verder verlamt door onbetaalde lonen en verdere massa-werkloosheid.
De enige voorstanders van sancties binnen Iran zijn, paradoxaal genoeg, de fundamentalistische islamisten, die hopen op een stijging van het nationalistisch sentiment om hun eigen huid te redden. Ook de rechtse oppositie, de royalisten, zijn voor sancties om ervoor te zorgen dat de massaprotesten gebroken worden en er een “regime change” van bovenaf komt die hun weer aan de macht brengt.
In tegenstelling tot de “reformisten” uit de groene beweging, de royalisten en andere kapitalistische oppositiegroeperingen, heeft de Iraanse arbeidersklasse haar positie over de nucleaire ontwikkeling luid en duidelijk te verstaan gegeven en wij moeten die positie verdedigen, namelijk tegen het nucleaire programma omdat deze de arbeidersklasse en het milieu in gevaar brengt, omdat Iran’s nucleaire installaties in een aardbevingszone bevinden en voor een nucleair vrij Midden-Oosten en wereld.
Maar bovenal moeten we resoluut tegen elke vorm van imperialistische interventie zijn, van sancties tot een volledige oorlog. Ook moeten we opkomen tegen het totalitaire regime in Teheran. Solidariteit met de strijdvaardige arbeidersbeweging in Iran! Een overwinning van de arbeidersbeweging op het totalitaire regime zou niet alleen een gigantische stap vooruit zijn voor de Iraniërs, het zou ook de kaart van het Midden-Oosten fundamenteel kunnen wijzigen en de arbeidersklasse wereldwijd laten zien dat een alternatief op de vele varianten van het fundamenteel ondemocratische kapitalisme wel degelijk mogelijk is.
Autor: Emil
~ 03/05/10
Op 1 mei ging het hard mis, zowel in Rotterdam als in Nijmegen. De politie greep hard in, veel arrestaties. De reden in Rotterdam was omdat stokken voor vlaggen en spandoeken plots waren verboden omdat ze als “slagwapens” konden dienen, lulverhaal van jewelste natuurlijk. In Nijmegen was het sneuvelen van een ruit voldoende.
Wat betekent dit? Er is natuurlijk speculatie over waarom de politie zo hard ingreep, voor het eerst in 23 jaar in Rotterdam op deze manier. Maar wat belangrijker is, is wat de gevolgen zijn. Dit zet een belangrijk precedent tegen elke vorm van arbeidersverzet: stakingen, demonstraties, noem maar op.
Het Offensief artikel heeft ook een video en wat opviel aan die film was de enorme desorganisatie van de demonstranten. Dit is ook niet heel vreemd, na jaren gewoon te hebben kunnen lopen is zo’n plotse politierepressie iets wat je niet direct verwacht.
Ik acht het vrij waarschijnlijk dat het helemaal geen toeval is dat de politie juist dit jaar zo hard optrad, maar dat dit alles te maken heeft met de crisis en de rekening die de politiek ons wil presenteren. Arbeidersverzet past niet in dat plaatje…
Als dit beeld klopt heeft deze 1 mei een nieuwe fase in de klassenstrijd aangekondigd, eentje waarin de sfeer heel snel heel erg kan escaleren. Sleutelwoord voor de arbeidersbeweging is dus: organisatie. We moeten weer leren hoe een demonstratie van zelfs maar een paar honderd man, zoals in Rotterdam afgelopen zaterdag, de politie van zich kan afslaan. De kracht van de politie zit hem in dergelijke technieken: verdeel de groep in kleinere eenheden, isoleer individuen, drijf ze op een kluitje, chargeer, zaai verwarring, werk als collectief.
Maar zelfs zonder ordedienst had de Rotterdamse demo de dag nog kunnen winnen door niet verder te lopen, maar te gaan zitten. Zittende mensen kun je veel moeilijker in een nauw drijven. Dat had een van de organisatoren met een megafoon kunnen regelen. Tactische fout en de les meenemen naar de volgende keer.
Wat te doen? Juist nu dat de crisis zijn langdurige karakter aan steeds meer mensen steeds bloter laat zien, is het zaak de traditie van 1 mei weer te doen heropleven. Ik ben voornemens om in Limburg volgend jaar een 1 mei demo te helpen organiseren. Als we dat als beweging voor elkaar krijgen in niet enkele steden, maar in 10, 20 of 30 steden, dan is dat een super stap vooruit en een versplintering van de middelen van de politie.
Maar de volgende 1 mei is nog ver weg en tot die tijd is er nog veel strijd te leveren. De komende maanden zullen uitwijzen hoezeer de atmosfeer verslechterd, maar mijn advies is om per direct een nieuwe standaard agendapunt bij te zetten bij elke stakings- en demonstratie vergadering: Hoe verdedigen wij ons tegen de politie?
Autor: Emil
~ 20/04/10
De Piraten Partij is een fenomeen overgewaaid uit Zweden. Sinds 10 maart dit jaar bestaat er ook een Nederlandse afdeling van. Natuurlijk is de Praten Partij bekend vanwege The Pirate Bay, een veelgebruikte bit torrent indexering site. Toen de druk vanuit de media-industrie werd opgevoerd om The Pirate Bay van het net te halen, maakte de oprichters bekend zelf ook in de politiek te gaan. Sinds haar oprichting in 2006 is de Zweedse Piraten Partij ongekend succesvol geweest voor een “one issue” partij, waarbij ze bij de afgelopen Europese verkiezingen twee zetels haalde. Er is zelfs een heuse “internationale”: de Pirate Party International, dat actief is in 38 landen tot dusverre.
De PPNL heeft in vergelijking met veel andere partijen een vrij beperkt programma. De standpunten zijn als volgt:
- Privacy van burgers dient gewaarborgd te worden
- Burgerrechten verdedigen in een informatiesamenleving
- Vertrouwelijke gegevens moeten veiliger worden opgeslagen en zorgvuldiger worden gebruikt
- Het delen van cultuur en informatie bevorderen, mede door het auteursrecht te hervormen
- Het patentsysteem hervormen ter bevordering van innovatie en kennisdeling
- Merkenrecht moet slechts ter identificatie van de producent dienen
- Overheid open en inzichtelijk maken
- Aanname van onschuld tot tegendeel bewezen is
Geen hiervan zijn op het eerste gezicht “typisch socialistische” thema’s die eerder standpunten hebben als “meer middelen voor het onderwijs”, “nationaliseer om banen te redden”, “verkort de werkweek”, etc. Toch raakt de PPNL een zeer belangrijke snaar: die van de strijd om democratie waarbij gewone burgers meer eigen invloed moeten kunnen krijgen in hun leven.
Het huidige revolutionaire links is vaak beperkt tot “vakbonds” thema’s zoals meer loon, kortere werkweek, meer middelen, etc. Dergelijke standpunten kunnen best een waarde hebben, maar naar mijns inziens alleen als ze ook geplaatst worden in een bredere context van de machtsovername van de meerderheid van de bevolking (werkende klasse is toch zo’n 90+% in Nederland), oftewel een behoorlijke verderzetting van democratische rechten.
Dit behoeft wat meer uitleg aangezien ik hier wat afwijk van wat “gebruikelijk” is voor revolutionair links. De methodiek die vaak gebruikt wordt streeft ernaar om vanuit het “huidig bestaande bewustzijn” een link te maken naar de noodzaak voor socialisme, de methode hiervan is directe actie, zoals stakingen, manifestaties, etc. Het medium hiervoor is agitatie, het oproepen voor iets. Op papier klinkt het aardig, maar de beperking zit hem dus vaak erin dat men de bredere politieke context uit het oog verliest en zich dus alleen toelegt op “vakbondseisen” (met een duur woord heet dat economisme). Het komt erop neer dat we als revolutionair links te vaak de beweging (en haar bewustzijn) volgen, in plaats van ernaar te streven haar pro-actief op een hoger (politiek) niveau te tillen.
Wat nodig is, naar mijn mening, is iets anders. Communisme is het streven naar de totale bevrijding van de gehele mensheid. Hiervoor leggen Marxisten zich toe op de enige klasse die dit doel kan bereiken vanwege haar centrale positie binnen de kapitalistische maatschappijvorm – de werkende klasse. “De bevrijding van de werkende klasse kan alleen het werk van haarzelf zijn” stelde Marx al terecht. Deze klasse moet de macht overnemen, niet enkel op nationaal niveau, maar op internationale schaal om een einde te maken aan het kapitalisme dat als globaal systeem functioneert. Hiervoor hebben we politieke educatie en organisatie (en niet slechts agitatie) nodig, zodat de klasse zich organiseert als een klasse in haar eigen recht, dus als collectief. Anders gezegd: we kunnen pas bouwen aan een maatschappij dat staat voor de noden van mensen (ipv de winsten) als we de strijd om de democratie aangaan en winnen, een expliciet politieke strijd. We kunnen dus bijvoorbeeld wel het standpunt innemen voor een kortere werkweek, bijvoorbeeld 30 uur, maar erbij uitleggen dat dit nodig is zodat men dan ook de tijd heeft te participeren in het bestuur van de maatschappij in haar geheel.
In deze context steun ik dan ook de PPNL vanwege standpunten als privacy en intellectueel eigendom. Het is dus een wat beperkt programma, maar het legt de focus op de directe noodzakelijke taken van de werkende klasse om de basis van dit fundamenteel ondemocratische systeem ter discussie te stellen en aan te vallen.
Natuurlijk heeft de PPNL geen expliciet socialistisch programma en zullen er vast een hoop mensen van allerlei achtergrond bij betrokken zijn. Maar ik heb in hun irc kanaal al een interessante open houding gemerkt voor communistische ideeën (opmerkelijk alleen al dat er niet krampachtig op een GeenStijl-achtige wijze op het woord als zodanig werd gereageerd of dat er een agressieve houding heerst naar expliciet revolutionair-socialistische groepen, zoals gebruikelijk bij de SP). Wellicht dat het huidige programma de basis kan vormen voor een verdere uitbouw van democratische eisen. Ik ben in ieder geval serieus aan het overwegen om lid te worden!
De termijn voor het zetten van steunbetuigingen is vandaag begonnen duurt nog tot en met 24 april. In elk van de 19 kieskringen zijn 30 handtekeningen nodig om overal mee te kunnen doen aan de landelijke verkiezingen en bijvoorbeeld ook tv-zendtijd te krijgen. Je moet de handtekening zetten op het gemeentehuis, meer details vind je hier.
Autor: Emil
~ 23/03/10
Vandaag een interview met Emile Roemer op radio 1. De eerste twee minuten gaan over z’n liefde voor de saxofoon, leuk voor wie dat spannend vindt. De rest is een stuk boeiender. Wat punten:
De SP is blijkbaar “even” het vertrouwen van de achterban kwijtgeraakt. (5:30) Die realisatie is dus eindelijk binnengedrongen bij de partijleiding, mooi.
“En natuurlijk moeen we dan ook een pakket hebben waarvan we [ons wensenlijstje] van gaan betalen” (7:40) 10 miljard! En de ambtelijke werkgroepen kunnen daarin helpen. De overheidssector mag een hele hoop ontslagen verwachten van de SP. Onder het mom van de “strijd tegen de bureaucratie” natuurlijk.
AOW op 65 is geen breekpunt, maar iets wat de partij als “laatste inlevert” (16:45). Eh? Waarom ben je daar niet duidelijk over meneer Roemer?
Over de hypotheekrenteaftrek (17:30) valt te praten. Dit is echter problematisch. Een gigantische berg huishoudens heeft hier immers mee te maken en het is daarmee een rijzende kostenpost voor de staatskas. Het is daarom voor de hand liggend dat dit een van de eerste bezuinigingsposten gaat zijn.
Wat de SP niet begrijpt (ik heb het eens op een regioconferentie besproken, ik werd uitgelachen door partijprominenten) is dat de hypotheekrenteaftrek op zichzelf ook maar een deel is van een groter probleem. Het eigenlijke probleem zijn de torenhoge grondkosten, gemiddeld zo’n 60% van de huisprijs. Dáár spreekt de partij niet over, het zet alleen de deur open voor bezuinigingen op een regeling die het veel mensen mogelijk maakt een eigen woning te hebben. Natuurlijk moeten we iets doen aan de onhoudbare situatie van de hypotheekrenteaftrek, maar er simpelweg op bezuinigen is geen oplossing, maar symptoombestrijding.
Renske Leijten is de hoogste vrouw op de lijst (20:00) – kots.
Verder vooral een interview van iemand die overkomt als beroepspoliticus die werkt binnen de regels van het Haagse spel, ik heb niet het idee dat we er op vooruit zijn gegaan.
Wél heel interessant is dat op de voorgestelde lijst nu Ron Meyer staat en wel op plekje 22. Ik hield afgelopen zaterdag een interview met hem over de schoonmakers sit in op Utrecht CS en daaruit blijkt gewoon klip en klaar dat we hier te maken hebben met een echte vertegenwoordiger van de belangen van de kleine man en vrouw. Het lijkt er zwaar op dat hij m’n stem gaat hebben, maar een beetje jammer dat de peilingen er niet bepaald florisant uitzien voor de partij (8 zetels…). Dan maar hopen op voldoende voorkeurstemmen.
Ook is het programma uit, voor wie zich verveelt, erg radicale oplossingen zul je er niet in vinden.
Autor: Emil
~ 10/03/10
Heiko Khoo, al zo’n 30 jaar actief als Marxist en tot voor kort lid van de IMT, spreekt elke zondag op de “Speakers Corner” (ik lees nu dat ook in Amsterdam een dergelijke plak bestaat, dat is interessant, alleen jammer dat A’dam niet bepaald om de hoek ligt voor me
) in Londen, een plek waar socialisten van allerlei gading hun verhaal aan de man brengen door in begrijpbare taal hun ideeën te verhelderen. Zo ook afgelopen zondag waar Heiko sprak over de rol van internet vandaag en welke kansen Marxisten hierin hebben.
Autor: Emil
~ 06/03/10
Sonja plaatste een vraag in m’n blogpost over de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen, ze vroeg: “Ik lees hier eigenlijk voor het eerst dat er een ‘rechtervleugel’ zou bestaan in de SP. Dar zou ik graag wat meer over lezen.”
Het lijkt me inderdaad nuttig om daar op in te gaan. Om meteen helder te zijn: met “rechts” binnen de SP heb ik het niet over wat men in algemene termen begrijpt als politiek rechts (liberalisme, etc.), maar over sociaal-democratisch rechts. Ik ga hiermee eigenlijk terug naar de definitie zoals die gebruikelijk was vóór 1914, toen de sociaal-democratie in fragmenten brak met de linkervleugel die uiteindelijk de Communistische Partijen zouden gaan vormen na 1917. Het is dus een relatieve plaatsbepaling.
Waarom gebruik ik deze definitie? Om een paar redenen:
- De arbeidersbeweging is in velerlei wijzen weer terug bij “square one”. Er zijn een aantal historische parallellen te trekken met de periode van voor 1880. Maar het gaat te diep om daar nu op in te gaan.
- De dominante ideeën binnen de leiding van de arbeidersbeweging zijn terug te voeren op de theorievorming van de rechtervleugel van de oude sociaal-democratie.
- Het is daarom nuttig de rechtervleugel als zodanig te benoemen, zodat daar een helder alternatief tegenover kan worden gezet.
Het boek Revolutionary Strategy (je kunt hem kopen, of downloaden met een beetje zoeken) van Mike Macnair stelt de definitie vrij helder. Ik zal hem daarom behoorlijk wat citeren:
Aan het einde van hoofdstuk 1:
Around the turn of the 19th and 20th century we can identify roughly three ‘strategic hypotheses’ in the socialist movement. The right wing is traditionally identified with reference to Eduard Bernstein’s Evolutionary socialism, though it in fact included various forms of ‘pure trade unionist’ politics, ethical socialism and so on. The centre can be identified roughly with reference to Karl Kautsky’s (relatively late) The road to power. The left can similarly be identified, even more roughly, and equally on the basis of a late text, with Rosa Luxemburg’s The mass strike, the political party and the trade unions. “Even more roughly” because Luxemburg’s position is in some respects intermediate between the Kautskyites and the core of the left. Both the content of the debate in the Second International and its limitations are essential if we are to understand modern strategic questions rather than merely repeating old errors.
In hoofdstuk 2:
The right: reform v ‘utopianism’
The underlying common idea of the right wing of the movement was that the practical task of the movement was to fight for reforms in the interests of the working class. In order to win these reforms, it was necessary to make coalitions with other tendencies which were willing to ally with the workers’ movement. And in order to make coalitions, it was necessary in the first place to be willing to take governmental office: it was by creating a coalition government that the possibility really arose of legislating in the interests of the working class, as well as of administrative measures (creating social security systems, etc).
Secondly, it was necessary to be willing to make substantial political compromises. Thus Engels, in The peasant question, polemicised against Vollmar’s programmatic concessions to the peasantry in relation to positive subsidies for family farming and in relation to trade union issues affecting agricultural labourers employed by small farmers.
The largest compromise – but, from the point of view of the right, the smallest – would be for the workers’ party to abandon its illusory and futile revolutionism; and, with it, equally illusory Marxist claims about crisis, and the notion that in an economic downswing reforms, as concessions made to the working class, would tend to be taken back unless the working class took political power into its own hands.
In the view of the right, the revolutionism was, after all, already empty of content. The German party, for example, did not call openly for the replacement of the monarchy by a republic and, though the Erfurt programme contained a good set of standard democratic-republican demands (for example, universal military training, popular militia, election of officials, including judges, and so on), these played only a marginal role in the party’s agitational and propaganda work.
The claim that economic downswing would produce attacks on concessions already made could perfectly well be conceded by rightists as true of the bourgeoisie; but the argument that this was also true of the state depended on the claim that the state was a class instrument in the hands of the bourgeoisie, and was thus intertwined with revolutionism.
The right did not simply argue that getting rid of revolutionism would make the workers’ party into a respectable party with which other parties could do business, and which could therefore achieve coalitions, and hence concessions. It also offered a variety of theoretical objections to Marx and Engels’ arguments, based on christianity, Kantianism, nationalism and early appropriations of the marginalist economists’ critiques of Marx. A relatively sophisticated version was Bernstein’s Evolutionary socialism, which argued that the scientific approach of Marx and Engels was diverted by their residual Hegelianism into a utopian revolutionism.
The actual content of the various theoretical objections to Marxism need not be considered here. The core question is the relative value of Marxist and ‘constitutionalist’ arguments in terms of predictive power and, hence, as a guide to action. To address this question it is necessary to separate the rightists’ positive claim – that coalitions based on programmatic concessions can win real reforms – from their negative claim, that ‘revolutionism’ is unrealistic, worthless and illusory.
The right’s positive claim
It should be said right away that the positive claim is true, to the extent that we are willing to treat partial gains for particular groups of workers (eg, workers in Britain; or workers in industry; or in particular industries) as gains for the working class as a whole.
This does not, in fact, depend on the workers’ party being a minority party and hence in need of formal coalitions. If the workers’ party presents itself purely as a party of reform, it will also win members and voters from the existing parties of reform. It may then, like the British Labour Party after 1945, become a party which is in form a workers’ party capable of forming a government on its own, but is in reality in itself a coalition between advocates of the independent political representation of the working class on the one hand, and liberal or nationalist-statist reformers and political careerists on the other: to use Lenin’s very slippery expression, a “bourgeois workers’ party”.
The positive claim is, however, illusory as strategy. Part of this illusory character is due to the fact that the negative claim is false. But part of it is internal. The policy of coalitions based on programmatic concessions is, as I said earlier, based on the need to form a coalition government in order to get effective reforms. But this supposes from the outset that reforms will take the form of state action to ameliorate the situation of the workers. The reform policy is therefore a policy for the growth and increasing power of the state and increased state taxation: as the Conservative press puts it, for the “nanny state”.
The internal problem is that working class people are no more fond of being in perpetual parental leading-reins from the state than the middle classes: the aim of the emancipation of the working class is an aspiration to collective and individual freedom. The policy of reform through coalition governments therefore contains within itself – quite apart from the falsity of the negative claim – the seeds of its own overthrow. The petty tyrannies of the council house manager, the social services officials, the benefit officials, etc, become the ground of a conservative/liberal reaction against the “nanny state” among important sections of the working class.
This is not merely a British phenomenon (the Thatcher victory in 1979). It was seen in the largest possible scale in the fall of the Stalinist regimes in 1989-91. And it has characterised the French, German and Italian electoral cycles and those of Australia, Canada and the US at least since the 1970s (in the case of the US, the Democrats play the role of the reformists).
The right’s negative claim
The predictive failure of the reformists’ negative claim results, most fundamentally, from the national limit of its horizons. Capitalism forms itself, from its beginnings, as a global socioeconomic formation. It is an international greasy-pole hierarchy of competing firms. Within this formation the nation-state is unavoidably a firm, and there is also a hierarchy of competing states. The understanding that the nation-state is a firm competing in the world market is a trivial commonplace of modern capitalist politics: the need to preserve or improve ‘British competitiveness’ is a constant mantra of both Labour and Tories, and equivalents can be found in the major parties of every country. It also forms part of Marx’s criticism of the Gotha programme (quoted in chapter one). To form a government within this framework therefore necessarily commits the participants to manage the interests of the nation-state in global competition.
Success in this competition allows the basis for reforms in the interests of the national working class. Or, more exactly, of sections of the national working class: there are always groups (particularly workers in small firms, young workers, migrants, etc) who must be excluded for the sake of compromise with the middle class parties, as Engels predicted in criticising Vollmar. But success is not ‘purely economic’. Capitals are able to externalise the costs of economic downswing onto weaker states and the firms (and landlords, petty producers, etc) associated with these states. Competition on the world market is thus military-political-economic.
The policy of reform through coalition governments thus entails (a) the displacement of the downswing of the business cycle onto the weaker states and their firms and populations; and (b) the displacement of the social polarisation which capitalism produces onto polarisation between nations. On the one hand, this gives the reformists’ negative claims their credibility: reforms are actually achieved and social polarisation is reduced in the successful states. On the other, the reformists necessarily commit themselves to sustaining and managing an imperial military force.
Sentimental objections to imperialism and foreign adventures, and the residual commitment to the ideas of universal military service and a people’s militia, inevitably give way, once reformists are actually in government, to the hard needs of sustaining the state’s success and standing in the global hierarchy, which is the only means by which reforms can be sustained.
Even this success at the price of bloody hands cannot forever be sustained, because externalising the business cycle has its own limits. As a world top-dog state, like Britain or the US, and the lead industrial sectors associated with this state, enter into decline, the externalised downswing phase of the business cycle returns, affecting not only them, but the other states near the top of the global hierarchy. Competition between these states intensifies. As a result, if the state as a firm is to remain globally competitive, it must endeavour to take back the reforms which have been given and drive wages and working conditions down towards the global average (their true market value). The project of reform through coalition government thereby comes to offer ‘reformism without reforms’ or merely the ‘less bad’ (Blair in preference to Major, and so on).
But every other state is also doing the same thing and, the more they do it, the more global effective purchasing power declines, forcing more attacks … in reality, this is merely the downswing of the business cycle postponed. It is accumulated in time and displaced onto a global scale, returning as global market pressure on the nation-state. The downswing of the ordinary business cycle must end in bankruptcies, which both free productive capital from the claims of overproduced fictional capital to income, and devalorise overinvested physical capital. It is the bankruptcies which free up space for a new economic upswing.
In the same way, the global downswing must end in the destruction of the global money and property claims of the declining world hegemon state: Britain in 1914-45; the US at some point in this coming century. In its (ultimately futile) efforts to put off this result, the declining world hegemon state must respond by an increased exploitation of its financial claims and its military dominance – as Britain did in the later 19th century, and as the US is doing now. The deferred and transposed business cycle can only overcome this problem by ending in war.
At the point of global war between the great powers, the illusory character of the policy of reform through coalition government becomes transparent. All that maintains the reformists are mass fear of the consequences of military defeat, and direct support from the state in the form of repression of their left opponents. Thus both 1914-18 and 1939-45 produced major weakening of the reform policy within the workers’ movement and the growth of alternatives. In the event, after 1945 the destruction of British world hegemony enabled a new long phase of growth, and reformism was able to revive. We are now on the road to another collapse of reformist politics … but what is lacking is a strategically plausible alternative.
(Nadrukken door de schrijver)
Hoewel de SP natuurlijk niet een-op-een te vergelijken is met de sociaal-democratie van een eeuw geleden, is het mijn stelling dat de partij wordt gedomineerd door een dergelijke rechtervleugel. (Relatief) links staat hierin historisch zwak, geïsoleerd, gedesorganiseerd. Dit heeft de rechtervleugel het mogelijk gemaakt om de partij naar haar evenbeeld te vormen en structuren te creëren die haar positie in stand houden. Dus: Een centralistische top-down en volledig ondemocratische partijstructuur met een cultuur waarin politieke discussie (voor zover ze plaatsvind) louter een interne aangelegenheid is, waarin verschillen tussen leidinggevende partijleden worden verstopt voor de partijleden, waarin politieke scholing van een zeer laag niveau is (aangezien politieke scholing betekend dat leden de capaciteit ontwikkelen om zelfstandig geïnformeerde beslissingen te nemen en ideeën te vormen), waarin arrogantie van full-timers en pesterijen van gewone leden door permanente leidinggevenden de norm is, waarin een tendens bestaat om politieke meningsverschillen “op te lossen” door persoonlijke aanvallen of zelfs karaktermoord, en waarin daardoor een groeiende dominatie bestaat van een groeps-denken die steeds minder zelfstandig denken toelaat en waarin leden de agenten worden van deze cultuur van censuur waarin iedere vorm van zelfstandig denken wordt gezien als aanval op de “partij” en zelfs je “loyaliteit aan de partij” ter discussie wordt gesteld als je volhoud.
Ik hoop dat dit een beter beeld geeft van wat ik versta onder “rechtervleugel”, hoewel “vleugel” voor een vrijwel alles dominerende groep een beetje een understatement is. Ik zal in een latere blogpost ingaan op wat ik dan versta onder “linkervleugel” en wat het alternatief is en welke strategie nodig.
Autor: Emil
~ 04/03/10
Voordat ik meteen weer zo negatief doe, eerst even wat goed nieuws: De Nederlandse Volks Unie heeft geen zetels behaald! Deze neo-nazi partij deed mee in vier gemeentes: Arnhem, Heerlen, Nijmegen en Overbetuwe. Ik was de afgelopen weken betrokken bij een tegen-campagne in Heerlen en ik ben blij dat we in onze opzet zijn geslaagd, afgezien van hoeveel wij zelf daar aan hebben bijgedragen. We zetten hiermee een mooie traditie voort van een NVU die een volledige mislukking blijft en nog nooit zetels heeft gehaald.
Maar dan nu het slechte nieuws: De SP is over de gehele linie gezakt, als ik mij niet vergis is ze zo’n 20% van de zetels kwijtgeraakt. Ook in de landelijke peilingen ging ze hard onderuit, waarover ik gister al schreef. In Sittard-Geleen werd voor het eerst meegedaan met de verkiezingen en er was intern de hoop – zo is mij verteld – dat er 8 of 9 zetels zouden worden gehaald. Hoewel ik dat een beetje overdreven vond (Sittard-Geleen heeft een raad met 37 zetels), heb ik altijd geclaimd dat de 5 zetels altijd goed mogelijk is, mits we de juiste strategie zouden volgen. Zelfs al zouden we als afdeling helemaal niets doen had ik nog steeds 2 zetels verwacht, maar dat was voor de Grote Onderuitzakking.
Het werd er uiteindelijk 1. Dit noem ik een nogal dramatische afgang. De afdeling op Twitter denkt er anders over en maakt er nog wat positiefs van door een ingeblikte “SP stemmers bedankt!” omhoog te halen.
Nu verschijnt er wat kritiek op fractieleider Agnes Kant, zoals van partij-secretaris van Heijningen. Ook het EenVandaag opiniepanel ruikt bloed en had zojuist een enquete met onder andere de vraag “Moet Agnes Kant opstappen?”. Het drama lijkt hiermee vooral op één persoon te worden gericht als hoofdschuldige, een zondebok dus.
Moet Agnes Kant opstappen? Jazeker, maar om andere redenen. Kant maakt deel uit van een dominerende rechtervleugel binnen de partij die zeer bereid is tot machtsposities. De lokale wethouders bijvoorbeeld worden consequent gepresenteerd als pareltjes van de partij. De bereidwilligheid tot het uitvoeren van neoliberaal beleid, hetzij met een “menselijk gezicht” is dus groot. Het idee dat je alleen dáár, op machtsposities in de kapitalistische staat, de wereld kunt veranderen is ook nog steeds dominant. Ze zullen nu wel verward zijn van dit verkiezingsresultaat, “wij doen het toch juist voor de mensen, hoe kunnen we dan verliezen?”, zal men zich afvragen.
Ik heb het al vaker gezegd, maar er is nog een wereld te winnen. Wat nodig is, is dat de rechtervleugel van de partij op termijn vervangen wordt door linkse SP’ers, mensen die principiëel ingaan tegen de gevestigde orde en een helder alternatief neerzetten van een ander type maatschappij waarin alle problemen van het kapitalisme niet meer bestaan en het punt maken dat de werkende klasse daarvoor alleen de macht hoeft over te nemen. Het raadswerk en parlemtair werk kan daarin helpen aangezien je een mooi platform hebt om kritische vragen te stellen en je altijd media aandacht hebt.
Zal Marleen van Rijnsbergen, het kersverse raadslid voor de SP in Sittard-Geleen die rol vervullen? Ik vrees van niet helaas. Ze maakt, in mijn ogen, deel uit van de rechtervleugel die bereid is tot realpolitik en compromissen en dus onderdeel vormt van het probleem. Hiervoor was ze al medewerkster van de statenfractie in Limburg en haar man is voorzitter van de afdeling.
Laten we even wel realiseren dat maar de helft van de kiesgerechtigden is komen stemmen, in Limburg ging deze keer 10% minder stemmen dan in 2006. Er is dus potentieel genoeg, als we het maar aanboren.
Hoe? Door als afdeling in te zetten op wijkkerngroepen die regelmatig bijeen komen om zaken in hun omgeving te verbeteren. Door werkafdelingen te vormen op bedrijven zodat werknemers, in combinatie met de vakbonden, politieke vraagstukken aan de orde kunnen stellen en zich daarop kunnen organiseren. Door in te zetten op een volledige democratisering van de afdeling en partij. Door het democratisch tekort in de samenleving, dat zich manifesteert op elk niveau, zeker niet alleen de politiek, aan de orde te brengen. Door met een strijdbaar programma te komen waarin de effecten van de crisis op gemeenteniveau bestreden wordt dmv bedrijfsbezettingen, stakingen, protesten. Door te beginnen met een kritische zelf-reflectie op wat voor soort partij we nodig hebben en wat voor beginselprogramma daar bij past.
Het zijn maar wat zaken die nu bij me opkomen. De rechtervleugel heeft hier geen antwoorden op of wíl ze eigenlijk niet beantwoorden. Daarom is het nodig dat de linkse SP’ers zich gaan organiseren in een constructieve linkervleugel binnen de partij met als doel de oude leiding op elk niveau weg te krijgen en de weg vrij te maken voor een échte socialistische massapartij van vele honderdduizenden leden.
Gaat dat lukken vóór 9 juni? Nee, dit is iets wat jaren zal kosten, zeker gezien de deplorabele staat waarin links binnen de partij zich nu bevind. Maar deze gemeenteraadsverkiezingen en strakjes de landelijke verkiezingen maken wel de weg vrij voor verandering. En die is hard nodig.
Autor: Emil
~ 03/03/10
Op basis van de exit polls voor de gemeenten is een extrapolatie gemaakt op wat voor partijen de mensen zouden stemmen in de Tweede Kamer met het stemgedrag van deze verkiezingen (hoe zit dat eigenlijk met de lokale partijen, hoe wordt dat “landelijk” berekend?). Hier komt naar voor wat we eigenlijk al wisten: De SP heeft een dikke gele kaart. -14 zetels voor de kamer!
Dit is een helder signaal beste SP! Uw achterban (werkenden, werklozen, jongeren, vrouwen, allochtonen) zit niet te wachten op PvdA 2.0. Een linkse koers van principiële oppositie is nodig. Geen water bij de wijn doen, geen standpunten weggooien, maar juist regelrecht ingaan tegen de kapitalistische logica die alle andere partijen voorstaan. Pak die anti-establishment positie terug van die Wilders maniak… of ga ten onder.
Dit is wellicht het meest belangrijke jaar in de ontwikkeling van onze partij sinds de oprichting en ik blijf optimistisch dat vóór 9 juni het roer om kan. Maar daarvoor moet het wel afgelopen zijn met illusies in coalitiepolitiek! Een helder socialistisch alternatief is bittere noodzaak.
Autor: Emil
~ 21/02/10
Nu de kater van het feestvieren naar aanleiding van de val van het kabinet een beetje aan het wegzakken is, is het tijd voor een nuchtere analyse. Waar staan we nu en wat is de weg vooruit?
Maurice de Hond heeft weer een peiling uitgebracht wat altijd een goed overzicht geeft. En het beeld voor links in het parlement staat er niet erg florisant voor. “Officieel links” (PvdA, SP, GroenLinks) heeft gezamelijk welgeteld 43 zetels (om de een of andere reden rekent Maurice de liberale de-bezuinigingen-gaan-niet-snel-genoeg D’66 ook tot links, waarmee het aantal op 63 komt). De PvdA spint wat garen bij de val en stijgt van 15 naar 19 zetels. Maar SP zakt van 13 naar 11, een zes-jarig diepte record.
Zoals Pieter Brans in zijn analyse duidelijk maakt is het vooral rechts die wint, met name D’66 en de PVV, maar ook de VVD gaat er wat op vooruit. CDA verliest fors ten opzichte van wat ze nu hebben: maarliefst 15 zetels, maar blijft paradoxaal genoeg de grootste partij.
Wat betekent die allemaal? In de eerste plaats dat een volgend kabinet waarschijnlijk uit vier partijen zal bestaan, maar dan nog maar een krappe meerderheid zou hebben (CDA + VVD + D’66 + CU zou net 76 zetels zijn volgens de laatste peiling). Dit is een recept voor instabiliteit. D’66 zal wel oppassen om niet te impopulair te zijn, na de vernedering uit 2006. CDA staat historisch erg zwak (zwakker dan tijdens Paars, toen ze in de oppositie zat). Rechts is numeriek wel sterker, maar ook erg verdeeld.
En de PVV? Die heeft geen interesse in coalitiedeelname. Gister maakte Wilders voor de grap nog de opmerking in NOVA dat het wel eens om een “premier Wilders” zou kunnen gaan na de verkiezingen, maar dat zou een nachtmerrie scenario voor hem zijn. Het blijft een neoliberaal in een racistisch-populistisch jasje en hij weet dat dergelijk beleid stemmen zou kosten. Hij zit een beetje met een probleem, immers het CDA zou na de verkiezingen weleens dezelfde tactische zet kunnen maken als ze destijds met de SP gedaan heeft in 2006: Nodig Wilders doodleuk uit voor de coalitieformatie. Wilders zal weigeren, wat hem óók stemmen kost.
Maar de positie van de SP is rondweg alarmerend. 11 zetels is 14 minder dan nu en slechts twee meer dan ten opzichte van de verkiezingen in 2002 en 2003. Hoe dan ook een zware klap. Ik schrijf dit toe aan twee factoren:
1. De SP heeft weliswaar onvoorwaardelijk steun gegeven aan de FNV in de AOW strijd, maar dit bleef te beperkt. De partij heeft nog steeds geen helder antwoord op wie nu eigenlijk de crisis moet gaan betalen. Waar blijft het linkse antwoord op de aangekondigde (en nu dus geparkeerde) 35 miljard aan bezuinigingen? Dat is een serieus probleem aangezien de partij zo haar anti-establishment positie heeft verspeeld aan het populistisch gekrakeel van Wilders.
2. Nu de PvdA onder druk staat heeft dit dus blijkbaar een uitwerking op de SP. De PvdA, ondanks dat ze massaal aan invloed heeft verloren de afgelopen 20 jaar en ontzettend naar rechts is opgeschoven, wordt toch nog gezien als “links”. Nu “links” in de verdrukking komt, lopen wellicht daarom een laag aan SP-stemmers weer terug naar de PvdA, ook omdat deze laatste nu zeer waarschijnlijk in de oppositie komt te zitten.
Dat dit niet slechts een tijdelijke “weersomslag” is laat de ledenontwikkeling van de SP ook zien. Per 1 januari staat de partij op 46 000 leden, vierduizend minder dan een jaar ervoor, toen de boel stagneerde ten opzichte van een jaar dáárvoor.
Wat is dus de weg vooruit? De koers van de SP moet simpelweg anders. De illusie om in het kabinet te komen om een “progressieve” rol te vervullen zal op dit moment minder zijn, maar is niet verdwenen. Nog steeds bestaat er binnen de partij het dominante idee dat om vooruitgang te boeken een plaats in het kabinet onontbeerlijk is. Deze realpolitik maakte het dat de partij de afgelopen jaren steeds verder naar rechts opschoof. Meest in het oog springende voorbeelden hiervan waren de acceptatie van het Nederlands NAVO lidmaatschap en het laten varen van een expliciet republikeins standpunt. Wat meer verscholen was het ook merkbaar in wat er níét werd gezegd, bijvoorbeeld het terugdraaien van de verslechteringen in de gezondheidszorg van de afgelopen jaren. De politieke lijn is er steeds een geweest van het er bij de bestaande orde neerleggen en er slechts de scherpste kantjes af te halen.
Hiertegen moet een linkse strategie komen. Er moet de realisatie komen dat rechts in Nederland slechts kan regeren omdat de arbeidersbeweging zo zwak staat. Een strategie voor het uitbouwen van een linkervleugel binnen de partij, tégen de salonfähige dominerende rechtervleugel, is absolute noodzaak wil de partij een nieuwe sprong vooruit maken en niet verder afglijden naar een ramp. Hiervoor is het nodig dat de vaak individueel geïsoleerde linkse partijleden zich gaan organiseren en met een positief alternatief komen op de rechtervleugel.
Een begin met een dergelijke linkse strategie is een serieuze politieke evaluatie van Heel de Mens, het onderwerp van het afgelopen congres. Links in de SP moet zich niet neerleggen bij de tamme conclusies dat het allemaal zo’n succes was en is en hier serieuze vragen bij stellen. Een politieke evaluatie en discussie hierover is nodig. Dit zou de basis kunnen leggen voor een meer fundamentele discussie over socialistische oplossingen. Ik zal hier de komende maanden meer over schrijven.