Autor: Emil

~ 23/03/10

Vandaag een interview met Emile Roemer op radio 1. De eerste twee minuten gaan over z’n liefde voor de saxofoon, leuk voor wie dat spannend vindt. De rest is een stuk boeiender. Wat punten:

De SP is blijkbaar “even” het vertrouwen van de achterban kwijtgeraakt. (5:30) Die realisatie is dus eindelijk binnengedrongen bij de partijleiding, mooi.

“En natuurlijk moeen we dan ook een pakket hebben waarvan we [ons wensenlijstje] van gaan betalen” (7:40) 10 miljard! En de ambtelijke werkgroepen kunnen daarin helpen. De overheidssector mag een hele hoop ontslagen verwachten van de SP. Onder het mom van de “strijd tegen de bureaucratie” natuurlijk.

AOW op 65 is geen breekpunt, maar iets wat de partij als “laatste inlevert” (16:45). Eh? Waarom ben je daar niet duidelijk over meneer Roemer?

Over de hypotheekrenteaftrek (17:30) valt te praten. Dit is echter problematisch. Een gigantische berg huishoudens heeft hier immers mee te maken en het is daarmee een rijzende kostenpost voor de staatskas. Het is daarom voor de hand liggend dat dit een van de eerste bezuinigingsposten gaat zijn.

Wat de SP niet begrijpt (ik heb het eens op een regioconferentie besproken, ik werd uitgelachen door partijprominenten) is dat de hypotheekrenteaftrek op zichzelf ook maar een deel is van een groter probleem. Het eigenlijke probleem zijn de torenhoge grondkosten, gemiddeld zo’n 60% van de huisprijs. Dáár spreekt de partij niet over, het zet alleen de deur open voor bezuinigingen op een regeling die het veel mensen mogelijk maakt een eigen woning te hebben. Natuurlijk moeten we iets doen aan de onhoudbare situatie van de hypotheekrenteaftrek, maar er simpelweg op bezuinigen is geen oplossing, maar symptoombestrijding.

Renske Leijten is de hoogste vrouw op de lijst (20:00) – kots.

Verder vooral een interview van iemand die overkomt als beroepspoliticus die werkt binnen de regels van het Haagse spel, ik heb niet het idee dat we er op vooruit zijn gegaan.

Wél heel interessant is dat op de voorgestelde lijst nu Ron Meyer staat en wel op plekje 22. Ik hield afgelopen zaterdag een interview met hem over de schoonmakers sit in op Utrecht CS en daaruit blijkt gewoon klip en klaar dat we hier te maken hebben met een echte vertegenwoordiger van de belangen van de kleine man en vrouw. Het lijkt er zwaar op dat hij m’n stem gaat hebben, maar een beetje jammer dat de peilingen er niet bepaald florisant uitzien voor de partij (8 zetels…). Dan maar hopen op voldoende voorkeurstemmen.

Ook is het programma uit, voor wie zich verveelt, erg radicale oplossingen zul je er niet in vinden.

Autor: Emil

~ 14/03/10

Ik kreeg zojuist deze massmail binnen:

Wordt het op 9 juni retro-rechts of lef van links?

Beste Emil Jacobs,

Verbijstering, woede en verdriet wisselden elkaar in hoog tempo af nadat Agnes de fractie had laten weten dat ze ermee ging stoppen. Het negatieve beeld dat over haar ontstaan was, kreeg steeds meer de overhand. Alle inspanningen ten spijt, je zag Agnes ongelukkiger worden. Het negatieve beeld zou de komende weken de campagne blijven overheersen. Agnes koos voor het partijbelang en besloot te stoppen als als fractievoorzitter en zich ook niet meer kandidaat te stellen als lijsttrekker bij de komende Tweede Kamerverkiezingen. Twintig jaar niet aflatende inzet voor de SP werd abrupt beeindigd. De hele fractie zat er verslagen bij. ‘Dit verdient Agnes niet.’

Maar de wereld draait door. 9 juni staan de mensen in Nederland voor de keus welk Nederland zij willen. Ik heb me daarom kandidaat gesteld voor het lijsttrekkerschap voor de komende verkiezingen en ik ben verheugd dat de partijraad van de SP hier zaterdag zijn steun aan gaf. Samen met jullie wil ik de schouders eronder zetten. Er zijn nog bergen werk te verzetten, om al die mensen die ons een warm hart toedragen, te bewegen voor de SP te kiezen.

Gisteren in mijn toespraak op de partijraad heb ik de hand uitgestoken naar GroenLinks, PvdA en D66. Ondanks dat er verschillen zijn, is het mijn overtuiging dat wanneer wij samen naar de verkiezing toewerken, wij Nederland een alternatief kunnen bieden. Een alternatief voor de rechtse donkere wolken die zich nu samenpakken. Mijn oproep kun je hier teruglezen.

Met vriendelijke groet

Emile Roemer

P.S. Mocht je nog geen lid wezen van de SP, sluit je aan! We kunnen je hulp goed gebruiken. Klik hier om je aan te melden.

Als reactie hierop schrijf ik een open brief terug die ook is verstuurd naar Emile:

Dag Emile,

Bedankt voor massmail. Ook ik deel je conclusie dat er nog bergen werk te verzetten zijn. Er moet een principiëel tegengeluid worden uitgebouwd tegen het asociale beleid van rechts en rechtser. Daar wil ik graag aan meehelpen.

Ik ben het echter niet eens met je verhaal over Agnes. Natuurlijk had zij dit niet verdient, maar ik respecteer het wel dat ze als politiek leider de verantwoordelijkheid neemt en aftreed. Maar nu lijkt het wel alsof Agnes’ “ongeluk” de oorzaak was van een slechte campagne. Dat is natuurlijk geen objectieve analyse.

Ik constateer dat de partij, waar ook ik zeven jaar van mijn energie in heb gestopt, steeds meer naar het midden opschuift. De NAVO en de Republiek zijn in 2006 vergeten, evenals het terugdraaien van asociaal beleid, zoals in de gezondheidszorg. In de lokale coalities zijn we in diverse gemeenten al verantwoordelijk voor het uitvoeren van overheidsbeleid, hetzij met “een menselijk gezicht”. Wat er echter menselijk is aan bijvoorbeeld bezuinigingen in de sociale dienst of het privatiseren van overheidsbedrijven, is mij nog steeds een raadsel.

De partij is dus in de afgelopen jaren steeds salonfähig geworden, heeft steeds meer de “acceptatie” opgezocht van andere partijen. Dit komt goed naar voren in je mail waarin je oproept voor een coalitie met de-AOW-leeftijsverhoging-is-goed GroenLinks, de wij-draaien-al-jaren-asociaal-beleid PvdA en de-bezuinigingen-gaan-niet-snel-genoeg D’66. Is het dan vreemd dat wij als partij ons anti-establishment imago zijn kwijtgeraakt aan een volksmenner als Wilders?

De SP is groot geworden door op te komen tégen het neoliberalisme en vóór een alternatief, gebaseerd op solidariteit, menselijke waardigheid en gelijkwaardigheid. Nederland heeft geen behoefte aan een PvdA 2.0 en dit zie je dan ook terug in de meest recente peilingen: PvdA is gegroeid met 12 zetels in de afgelopen drie weken naar 27, de SP zakt verder naar 10.

En dan is er nog de kwestie van democratie binnen onze gelederen. Zoals ik zei ben ik zeven jaar lang actief geweest voor de partij, dat ik dat nu niet meer ben is niet mijn keuze geweest. Ik heb mij doorheen de jaren steeds kritischer ontwikkeld ten opzichte van het beleid van onze partij. Dit leidde er toe dat ik in eind 2005 lid werd van de socialistische propagandagroep Offensief. Ik heb me daarom door de jaren steeds meer ontwikkeld als iemand die staat voor strijdbaarheid, basisorganisatie, democratie, internationalisme en een helder socialistisch alternatief. Ik heb deze zaken ook keer op keer, vaak tegen de stroom in, verdedigt binnen de partij, met als doel de partij te versterken en uit te bouwen tot massapartij van de werkende klasse.

De partijleiding scheen echter genoeg te hebben van mijn kritische inbreng en in september afgelopen jaar kreeg ik een brief van deheer van Heijningen met de mededeling dat ik lid was van twee partijen en dien gronde geroyeerd werd uit de SP. De absurditeit van een dergelijk bureaucratische truc zal u niet ontgaan. Samen met mij werd ook Barbara Veger uit Rotterdam geroyeerd met dezelfde reden. Het moet hierbij genoteerd worden dat ik niet uitgezet ben via het gebruikelijke kanaal, een stemming op de afdelingsvergadering, maar direct via de partijleiding.

Mijn oproep is daarom ook aan de partijleiding, en aan jou als kersvers politiek leider, om de royering van mij en Barbara terug te draaien zodat we weer lid kunnen worden van de partij. We zullen hierin zeker onze kritische inbreng blijven hebben en op blijven komen voor een helder socialistisch alternatief, maar zullen graag onze steen bijdragen aan de campagne voor de landelijke verkiezingen in juni en de uitbouw van de partij daarna!

Met strijdbare groet,

Emil Jacobs
Sittard

We zullen de reactie afwachten.

Post tags:

Autor: Emil

~ 10/03/10

Heiko Khoo, al zo’n 30 jaar actief als Marxist en tot voor kort lid van de IMT, spreekt elke zondag op de “Speakers Corner” (ik lees nu dat ook in Amsterdam een dergelijke plak bestaat, dat is interessant, alleen jammer dat A’dam niet bepaald om de hoek ligt voor me 🙁 ) in Londen, een plek waar socialisten van allerlei gading hun verhaal aan de man brengen door in begrijpbare taal hun ideeën te verhelderen. Zo ook afgelopen zondag waar Heiko sprak over de rol van internet vandaag en welke kansen Marxisten hierin hebben.

Autor: Emil

~ 08/03/10

Er is van alles gaande de afgelopen weken en maanden in de International Marxist Tendency. In de afgelopen 18 maanden hebben ze zo’n 2000 van de 4500 leden verloren doorheen hun organisatie. Dit lijkt vrij weinig en dat is het natuurlijk ook, het lage aantal is een reflectie van hoe klein revolutionair links eigenlijk is. De afgelopen weken gaan de ontwikkelingen echter zeer snel allemaal. Dus ik maak er even een overzichtje van.

Allereerst: IMT? Watte? Juist ja. Offensief is onderdeel van het Committee for a Workers International, een internationale organisatie actief in zo’n 40 landen op alle continenten. Het CWI werd opgericht in 1974 en groeide uit tot een vrij invloedrijke revolutionaire vleugel in de oude arbeiderspartijen.

Deze situatie veranderde volledig met de val van de Stalinistische regimes en de verrechtsing van de arbeiderspartijen, zoals de PvdA in Nederland. Binnen het CWI had dat ook haar weerslag en creëerde dat een split in de organisatie waarin een aantal leidinggevende leden, zoals Ted Grant en Alan Woods, een nieuwe “internationale” opzette, dit werd uiteindelijk de IMT. Lees vooral op wikipedia meer hierover.

Offensief in Nederland is nooit gesplit in een CWI en IMT groep, maar ook hier vind je tegenwoordig een “IMT afdeling” die Vonk heet, effectief een eenmansblog. Mijn “working assumption” is dat hij vanuit Vlaanderen gestuurd is om iets op te zetten in Nederland. In België kende we helaas wel een split, die was destijds vrijwel precies door het midden met zo’n 30 leden aan beide kanten. Onze afdeling, de LSP, is sindsdien in krachten en invloed gegroeid, de Belgische Vonk heeft nog steeds om en de nabij de 30 leden omdat ze star blijven vasthouden aan het werken in de Vlaamse variant van de PvdA, de SP.a.

Anderhalf jaar geleden was er een grote split in de Pakistaanse sectie van de IMT. Deze sectie was altijd hun grootste met zo’n 2500 tot 3000 leden. Hiervan verloren ze op z’n minst 1000 leden. Dit gebeurde nadat ze een leidinggevend lid van deze sectie, Manzoor, zonder pardoes uit de organisatie hadden gezet, na jarenlang een grote held van de IMT te zijn geweest. Hij was bijvoorbeeld hun enige parlementariër. Veel leden pikte dit dus niet zonder meer en vertrokken. De Pakistaanse sectie is nog steeds de grootste, maar heeft nu nog maar 1000 tot 1500 leden.

Een paar weken geleden was er opeens een nieuwe ontwikkeling waarin een conflict tussen de Spaanse leiding en de internationale leiding in Londen werd “opgelost” door de Spaanse leiding uit de IMT te zetten en splits te organiseren (!) in de Spaanse, Venezolaanse, Colombiaanse en Mexicaanse secties tussen een veelal “ontrouwe” meerderheid en “getrouwe” minderheid. De Spaanse sectie was de geldkoe voor de IMT, het was de grootste sectie in Europa, veel groter dan bijvoorbeeld de Britse sectie zelf dat niet verder komt dan 100 leden.

En de afgelopen dagen, vrijwel parallel aan deze ontwikkeling, ontstond er een internationale fractie, gestart door de secties van Zweden, Polen en Iran. Hieraan sloot zich kort erna ook een Britse minderheidsfractie aan. Deze fractie wierp politieke vraagstukken op rondom democratie en de bureaucratische organisatie. Met name Heiko Khoo, lid sinds 1981 en iemand die bijvoorbeeld de IMT “landmarker” op het internet heeft gezet met bijvoorbeeld de website marxist.com, wierp zich op als een pleiter voor meer openheid en democratie.

Een van zijn stellingen is dat hoewel democratie natuurlijk altijd al een belangrijk vraagstuk is geweest voor Marxisten, dit nieuwe tijdperk – het tijdperk van het internet – het “democratisch centralisme” ondermijnt. Met “democratisch centralisme” moet worden opgemerkt dat hij een cultuur bedoeld die we beter kunnen omschrijven als bureaucratisch centralisme, oftewel een cultuur waarin alle discussie van hoger hand wordt bepaald, deze altijd intern moet plaatsvinden via de “democratische structuren” en waarin leden die zich organiseren rondom bepaalde discussiepunten, worden ontmoedigt. In deze tijd, waarin instant communication tussen personen wereldwijd de norm is, zijn dergelijke organisatievormen niet alleen ondemocratisch (dat waren ze al), maar ook volledig achterhaald.

Welnu, deze internationale fractie had een interne website opgezet waarin IMT leden konden discussiëren over deze zaken. Binnen enkele weken begon het “uit de hand” te lopen voor de leiding in het internationaal secretariaat van het IMT en beveelden ze Heiko om de website offline te halen voor afgelopen woensdag, waarin hij gehoorzaamde. Eergister ging de leiding rondom Alan Woods nog een stapje verder en zette ze Heiko maar helemaal buiten de organisatie, zonder dat hij de kans had om zich te verdedigen.

Hoe ik dit allemaal weet? Heiko heeft een dikke middelvinger opgestoken richten de bureaucraten in Londen en de interne discussie site weer online gezet en deze zelfs publiek gemaakt, je kunt hem vinden op www.karlmarx.net en hier vind je werkelijk een schat aan documenten die een goed beeld geven over de interne cultuur van de IMT. Als je het zo leest realiseer je je dat het niet voor niets was dat de leiding zo panisch is voor openheid van discussie. Ze is simpelweg incapabel om een fatsoenlijk inhoudelijke discussie te voeren en grijpt daarom terug op bureaucratische trucs. Heiko heeft hierover ook een bijdrage gedaan op een IMT Winterschool waarin hij dergelijke structuren analyseert.

Vandaag werd bekend dat de IMT leiding erop heeft aangedrongen om de Iraanse sectie uit de organisatie te zetten en dit ze ook is gelukt. Dit voorspelt weinig goed voor de Polen en Zweden, ik gok dat het nog een kwestie van dagen is voordat ook zij vertrokken zijn of uitgezet zijn.

Hoe verder? Het moge duidelijk zijn dat de meltdown in de IMT nog maar net begonnen is en elke actie die hun internationale leiding onderneemt lijkt de boel alleen maar te verergeren en te versnellen. De vraag mag zo onderhand gesteld worden of het IMT over een jaar nog wel bestaat…

Wat kunnen we hiervan leren? Een heleboel dingen en daar zal ik in de toekomst nog wel vaker op ingaan. Voor nu voldoet het even om te stellen dat bureaucratie niet iets unieks is binnen de rechtervleugel van de arbeidersbeweging, zoals in de Nederlandse SP, maar vrij universeel is. Het gaat m.i. om vrij elementaire menselijke karaktertrekjes zoals conservatisme en routinematigheid (bij oudere mensen) en hyperactiviteit en ongeduld (bij jongeren), een angst om je positie kwijt te raken, prestige, etc, etc.

Socialisten moeten serieus zijn hierin en ik hoop dat er wat meer grondig onderzoek voorhanden is op dit gebied. Het gaat erom zekeringen in te bouwen die dergelijke structuren uit de weg gaan ipv ondersteunen. Hierover zal ik de komende tijd ook vast nog meer gaan schrijven.

Autor: Emil

~ 06/03/10

Sonja plaatste een vraag in m’n blogpost over de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen, ze vroeg: “Ik lees hier eigenlijk voor het eerst dat er een ‘rechtervleugel’ zou bestaan in de SP. Dar zou ik graag wat meer over lezen.”

Het lijkt me inderdaad nuttig om daar op in te gaan. Om meteen helder te zijn: met “rechts” binnen de SP heb ik het niet over wat men in algemene termen begrijpt als politiek rechts (liberalisme, etc.), maar over sociaal-democratisch rechts. Ik ga hiermee eigenlijk terug naar de definitie zoals die gebruikelijk was vóór 1914, toen de sociaal-democratie in fragmenten brak met de linkervleugel die uiteindelijk de Communistische Partijen zouden gaan vormen na 1917. Het is dus een relatieve plaatsbepaling.

Waarom gebruik ik deze definitie? Om een paar redenen:

  • De arbeidersbeweging is in velerlei wijzen weer terug bij “square one”. Er zijn een aantal historische parallellen te trekken met de periode van voor 1880. Maar het gaat te diep om daar nu op in te gaan.
  • De dominante ideeën binnen de leiding van de arbeidersbeweging zijn terug te voeren op de theorievorming van de rechtervleugel van de oude sociaal-democratie.
  • Het is daarom nuttig de rechtervleugel als zodanig te benoemen, zodat daar een helder alternatief tegenover kan worden gezet.

Het boek Revolutionary Strategy (je kunt hem kopen, of downloaden met een beetje zoeken) van Mike Macnair stelt de definitie vrij helder. Ik zal hem daarom behoorlijk wat citeren:

Aan het einde van hoofdstuk 1:

Around the turn of the 19th and 20th century we can identify roughly three ‘strategic hypotheses’ in the socialist movement. The right wing is traditionally identified with reference to Eduard Bernstein’s Evolutionary socialism, though it in fact included various forms of ‘pure trade unionist’ politics, ethical socialism and so on. The centre can be identified roughly with reference to Karl Kautsky’s (relatively late) The road to power. The left can similarly be identified, even more roughly, and equally on the basis of a late text, with Rosa Luxemburg’s The mass strike, the political party and the trade unions. “Even more roughly” because Luxemburg’s position is in some respects intermediate between the Kautskyites and the core of the left. Both the content of the debate in the Second International and its limitations are essential if we are to understand modern strategic questions rather than merely repeating old errors.

In hoofdstuk 2:

The right: reform v ‘utopianism’

The underlying common idea of the right wing of the movement was that the practical task of the movement was to fight for reforms in the interests of the working class. In order to win these reforms, it was necessary to make coalitions with other tendencies which were willing to ally with the workers’ movement. And in order to make coalitions, it was necessary in the first place to be willing to take governmental office: it was by creating a coalition government that the possibility really arose of legislating in the interests of the working class, as well as of administrative measures (creating social security systems, etc).

Secondly, it was necessary to be willing to make substantial political compromises. Thus Engels, in The peasant question, polemicised against Vollmar’s programmatic concessions to the peasantry in relation to positive subsidies for family farming and in relation to trade union issues affecting agricultural labourers employed by small farmers.

The largest compromise – but, from the point of view of the right, the smallest – would be for the workers’ party to abandon its illusory and futile revolutionism; and, with it, equally illusory Marxist claims about crisis, and the notion that in an economic downswing reforms, as concessions made to the working class, would tend to be taken back unless the working class took political power into its own hands.

In the view of the right, the revolutionism was, after all, already empty of content. The German party, for example, did not call openly for the replacement of the monarchy by a republic and, though the Erfurt programme contained a good set of standard democratic-republican demands (for example, universal military training, popular militia, election of officials, including judges, and so on), these played only a marginal role in the party’s agitational and propaganda work.

The claim that economic downswing would produce attacks on concessions already made could perfectly well be conceded by rightists as true of the bourgeoisie; but the argument that this was also true of the state depended on the claim that the state was a class instrument in the hands of the bourgeoisie, and was thus intertwined with revolutionism.

The right did not simply argue that getting rid of revolutionism would make the workers’ party into a respectable party with which other parties could do business, and which could therefore achieve coalitions, and hence concessions. It also offered a variety of theoretical objections to Marx and Engels’ arguments, based on christianity, Kantianism, nationalism and early appropriations of the marginalist economists’ critiques of Marx. A relatively sophisticated version was Bernstein’s Evolutionary socialism, which argued that the scientific approach of Marx and Engels was diverted by their residual Hegelianism into a utopian revolutionism.

The actual content of the various theoretical objections to Marxism need not be considered here. The core question is the relative value of Marxist and ‘constitutionalist’ arguments in terms of predictive power and, hence, as a guide to action. To address this question it is necessary to separate the rightists’ positive claim – that coalitions based on programmatic concessions can win real reforms – from their negative claim, that ‘revolutionism’ is unrealistic, worthless and illusory.

The right’s positive claim

It should be said right away that the positive claim is true, to the extent that we are willing to treat partial gains for particular groups of workers (eg, workers in Britain; or workers in industry; or in particular industries) as gains for the working class as a whole.

This does not, in fact, depend on the workers’ party being a minority party and hence in need of formal coalitions. If the workers’ party presents itself purely as a party of reform, it will also win members and voters from the existing parties of reform. It may then, like the British Labour Party after 1945, become a party which is in form a workers’ party capable of forming a government on its own, but is in reality in itself a coalition between advocates of the independent political representation of the working class on the one hand, and liberal or nationalist-statist reformers and political careerists on the other: to use Lenin’s very slippery expression, a “bourgeois workers’ party”.

The positive claim is, however, illusory as strategy. Part of this illusory character is due to the fact that the negative claim is false. But part of it is internal. The policy of coalitions based on programmatic concessions is, as I said earlier, based on the need to form a coalition government in order to get effective reforms. But this supposes from the outset that reforms will take the form of state action to ameliorate the situation of the workers. The reform policy is therefore a policy for the growth and increasing power of the state and increased state taxation: as the Conservative press puts it, for the “nanny state”.

The internal problem is that working class people are no more fond of being in perpetual parental leading-reins from the state than the middle classes: the aim of the emancipation of the working class is an aspiration to collective and individual freedom. The policy of reform through coalition governments therefore contains within itself – quite apart from the falsity of the negative claim – the seeds of its own overthrow. The petty tyrannies of the council house manager, the social services officials, the benefit officials, etc, become the ground of a conservative/liberal reaction against the “nanny state” among important sections of the working class.

This is not merely a British phenomenon (the Thatcher victory in 1979). It was seen in the largest possible scale in the fall of the Stalinist regimes in 1989-91. And it has characterised the French, German and Italian electoral cycles and those of Australia, Canada and the US at least since the 1970s (in the case of the US, the Democrats play the role of the reformists).

The right’s negative claim

The predictive failure of the reformists’ negative claim results, most fundamentally, from the national limit of its horizons. Capitalism forms itself, from its beginnings, as a global socioeconomic formation. It is an international greasy-pole hierarchy of competing firms. Within this formation the nation-state is unavoidably a firm, and there is also a hierarchy of competing states. The understanding that the nation-state is a firm competing in the world market is a trivial commonplace of modern capitalist politics: the need to preserve or improve ‘British competitiveness’ is a constant mantra of both Labour and Tories, and equivalents can be found in the major parties of every country. It also forms part of Marx’s criticism of the Gotha programme (quoted in chapter one). To form a government within this framework therefore necessarily commits the participants to manage the interests of the nation-state in global competition.

Success in this competition allows the basis for reforms in the interests of the national working class. Or, more exactly, of sections of the national working class: there are always groups (particularly workers in small firms, young workers, migrants, etc) who must be excluded for the sake of compromise with the middle class parties, as Engels predicted in criticising Vollmar. But success is not ‘purely economic’. Capitals are able to externalise the costs of economic downswing onto weaker states and the firms (and landlords, petty producers, etc) associated with these states. Competition on the world market is thus military-political-economic.

The policy of reform through coalition governments thus entails (a) the displacement of the downswing of the business cycle onto the weaker states and their firms and populations; and (b) the displacement of the social polarisation which capitalism produces onto polarisation between nations. On the one hand, this gives the reformists’ negative claims their credibility: reforms are actually achieved and social polarisation is reduced in the successful states. On the other, the reformists necessarily commit themselves to sustaining and managing an imperial military force.

Sentimental objections to imperialism and foreign adventures, and the residual commitment to the ideas of universal military service and a people’s militia, inevitably give way, once reformists are actually in government, to the hard needs of sustaining the state’s success and standing in the global hierarchy, which is the only means by which reforms can be sustained.

Even this success at the price of bloody hands cannot forever be sustained, because externalising the business cycle has its own limits. As a world top-dog state, like Britain or the US, and the lead industrial sectors associated with this state, enter into decline, the externalised downswing phase of the business cycle returns, affecting not only them, but the other states near the top of the global hierarchy. Competition between these states intensifies. As a result, if the state as a firm is to remain globally competitive, it must endeavour to take back the reforms which have been given and drive wages and working conditions down towards the global average (their true market value). The project of reform through coalition government thereby comes to offer ‘reformism without reforms’ or merely the ‘less bad’ (Blair in preference to Major, and so on).

But every other state is also doing the same thing and, the more they do it, the more global effective purchasing power declines, forcing more attacks … in reality, this is merely the downswing of the business cycle postponed. It is accumulated in time and displaced onto a global scale, returning as global market pressure on the nation-state. The downswing of the ordinary business cycle must end in bankruptcies, which both free productive capital from the claims of overproduced fictional capital to income, and devalorise overinvested physical capital. It is the bankruptcies which free up space for a new economic upswing.

In the same way, the global downswing must end in the destruction of the global money and property claims of the declining world hegemon state: Britain in 1914-45; the US at some point in this coming century. In its (ultimately futile) efforts to put off this result, the declining world hegemon state must respond by an increased exploitation of its financial claims and its military dominance – as Britain did in the later 19th century, and as the US is doing now. The deferred and transposed business cycle can only overcome this problem by ending in war.

At the point of global war between the great powers, the illusory character of the policy of reform through coalition government becomes transparent. All that maintains the reformists are mass fear of the consequences of military defeat, and direct support from the state in the form of repression of their left opponents. Thus both 1914-18 and 1939-45 produced major weakening of the reform policy within the workers’ movement and the growth of alternatives. In the event, after 1945 the destruction of British world hegemony enabled a new long phase of growth, and reformism was able to revive. We are now on the road to another collapse of reformist politics … but what is lacking is a strategically plausible alternative.

(Nadrukken door de schrijver)

Hoewel de SP natuurlijk niet een-op-een te vergelijken is met de sociaal-democratie van een eeuw geleden, is het mijn stelling dat de partij wordt gedomineerd door een dergelijke rechtervleugel. (Relatief) links staat hierin historisch zwak, geïsoleerd, gedesorganiseerd. Dit heeft de rechtervleugel het mogelijk gemaakt om de partij naar haar evenbeeld te vormen en structuren te creëren die haar positie in stand houden. Dus: Een centralistische top-down en volledig ondemocratische partijstructuur met een cultuur waarin politieke discussie (voor zover ze plaatsvind) louter een interne aangelegenheid is, waarin verschillen tussen leidinggevende partijleden worden verstopt voor de partijleden, waarin politieke scholing van een zeer laag niveau is (aangezien politieke scholing betekend dat leden de capaciteit ontwikkelen om zelfstandig geïnformeerde beslissingen te nemen en ideeën te vormen), waarin arrogantie van full-timers en pesterijen van gewone leden door permanente leidinggevenden de norm is, waarin een tendens bestaat om politieke meningsverschillen “op te lossen” door persoonlijke aanvallen of zelfs karaktermoord, en waarin daardoor een groeiende dominatie bestaat van een groeps-denken die steeds minder zelfstandig denken toelaat en waarin leden de agenten worden van deze cultuur van censuur waarin iedere vorm van zelfstandig denken wordt gezien als aanval op de “partij” en zelfs je “loyaliteit aan de partij” ter discussie wordt gesteld als je volhoud.

Ik hoop dat dit een beter beeld geeft van wat ik versta onder “rechtervleugel”, hoewel “vleugel” voor een vrijwel alles dominerende groep een beetje een understatement is. Ik zal in een latere blogpost ingaan op wat ik dan versta onder “linkervleugel” en wat het alternatief is en welke strategie nodig.

Autor: Emil

Zo meldt de NRC tenminste. Wat citaten:

VVD-Kamerlid Paul de Krom zegt wel te hebben voorzien dat Roemer in de SP-hiërarchie zou stijgen: „Emile is gedreven, eerlijk, integer en heeft humor. Een evenwichtige persoon. En hij heeft foute linkse ideeën. Maar het was een prima collega om mee samen te werken. Of hij zich tussen de grote jongens kan staande houden zullen we zien. Dat is natuurlijke wel andere koek dan een kamerdebat over verkeer. Soms kan hij zich wel vreselijk opwinden. Dan krijgt hij een rood hoofd en komt er stoom uit zijn oren. Dat moet hij wel een beetje onder controle krijgen.”

D66-Kamerlid Boris van der Ham omschrijft Roemer als „een SP’er met een das”. Hij is volgens hem „een vriendelijke, bestuurlijke ingestelde man”. „Niet iemand die je dagenlang met een witte jas met groot letters SP achterop schuursponsjes ziet uitdelen. Maar wel iemand die de SP uit die harde oppositiehoek kan halen en in een rustiger vaarwater kan brengen.”

Lia Roefs (PvdA) heeft altijd prettig samengewerkt met Roemer, vertelt ze. „Hij weet goed wat hij wil, maar ook wat een ander wil en is bereid om te kijken waar je het eens kunt worden. In totale openheid. Emile is gedegen en betrouwbaar, zeker een graag geziene persoon. Hij heeft me nog nooit een kunstje geflikt. De SP wil natuurlijk altijd net iets verder dan de PvdA, maar hij gaat dan met je aan tafel om eruit te komen. De commissie Verkeer en Waterstaat zal hem missen.”

Dus men is het er in het parlement er wel over eens dat mijn bijna-naamgenoot een betrouwbaar figuur is. Je zou toch als gerechtaard SP’er hier juist vraagtekens bij moeten zetten… Hij is geliefd bij rechts en rechtser, is dit dan wel onze man? Het enige punt waar de VVD’er kritiek op had is dat Emile zich soms vreselijk kan opwinden, juist net een goed punt dacht ik zo.

Ik ben bang dat de salonfähige rechtervleugel van de partij weer van de kans gebruik heeft gemaakt om zich van de “radicale” Agnes te ontdoen en een meer “acceptabele” Emile naar voren te schuiven. Acceptabel, voor de mede-parlementariërs dus.

Post tags:

Autor: Emil

~ 04/03/10

Voordat ik meteen weer zo negatief doe, eerst even wat goed nieuws: De Nederlandse Volks Unie heeft geen zetels behaald! Deze neo-nazi partij deed mee in vier gemeentes: Arnhem, Heerlen, Nijmegen en Overbetuwe. Ik was de afgelopen weken betrokken bij een tegen-campagne in Heerlen en ik ben blij dat we in onze opzet zijn geslaagd, afgezien van hoeveel wij zelf daar aan hebben bijgedragen. We zetten hiermee een mooie traditie voort van een NVU die een volledige mislukking blijft en nog nooit zetels heeft gehaald.

Maar dan nu het slechte nieuws: De SP is over de gehele linie gezakt, als ik mij niet vergis is ze zo’n 20% van de zetels kwijtgeraakt. Ook in de landelijke peilingen ging ze hard onderuit, waarover ik gister al schreef. In Sittard-Geleen werd voor het eerst meegedaan met de verkiezingen en er was intern de hoop – zo is mij verteld – dat er 8 of 9 zetels zouden worden gehaald. Hoewel ik dat een beetje overdreven vond (Sittard-Geleen heeft een raad met 37 zetels), heb ik altijd geclaimd dat de 5 zetels altijd goed mogelijk is, mits we de juiste strategie zouden volgen. Zelfs al zouden we als afdeling helemaal niets doen had ik nog steeds 2 zetels verwacht, maar dat was voor de Grote Onderuitzakking.

Het werd er uiteindelijk 1. Dit noem ik een nogal dramatische afgang. De afdeling op Twitter denkt er anders over en maakt er nog wat positiefs van door een ingeblikte “SP stemmers bedankt!” omhoog te halen.

Nu verschijnt er wat kritiek op fractieleider Agnes Kant, zoals van partij-secretaris van Heijningen. Ook het EenVandaag opiniepanel ruikt bloed en had zojuist een enquete met onder andere de vraag “Moet Agnes Kant opstappen?”. Het drama lijkt hiermee vooral op één persoon te worden gericht als hoofdschuldige, een zondebok dus.

Moet Agnes Kant opstappen? Jazeker, maar om andere redenen. Kant maakt deel uit van een dominerende rechtervleugel binnen de partij die zeer bereid is tot machtsposities. De lokale wethouders bijvoorbeeld worden consequent gepresenteerd als pareltjes van de partij. De bereidwilligheid tot het uitvoeren van neoliberaal beleid, hetzij met een “menselijk gezicht” is dus groot. Het idee dat je alleen dáár, op machtsposities in de kapitalistische staat, de wereld kunt veranderen is ook nog steeds dominant. Ze zullen nu wel verward zijn van dit verkiezingsresultaat, “wij doen het toch juist voor de mensen, hoe kunnen we dan verliezen?”, zal men zich afvragen.

Ik heb het al vaker gezegd, maar er is nog een wereld te winnen. Wat nodig is, is dat de rechtervleugel van de partij op termijn vervangen wordt door linkse SP’ers, mensen die principiëel ingaan tegen de gevestigde orde en een helder alternatief neerzetten van een ander type maatschappij waarin alle problemen van het kapitalisme niet meer bestaan en het punt maken dat de werkende klasse daarvoor alleen de macht hoeft over te nemen. Het raadswerk en parlemtair werk kan daarin helpen aangezien je een mooi platform hebt om kritische vragen te stellen en je altijd media aandacht hebt.

Zal Marleen van Rijnsbergen, het kersverse raadslid voor de SP in Sittard-Geleen die rol vervullen? Ik vrees van niet helaas. Ze maakt, in mijn ogen, deel uit van de rechtervleugel die bereid is tot realpolitik en compromissen en dus onderdeel vormt van het probleem. Hiervoor was ze al medewerkster van de statenfractie in Limburg en haar man is voorzitter van de afdeling.

Laten we even wel realiseren dat maar de helft van de kiesgerechtigden is komen stemmen, in Limburg ging deze keer 10% minder stemmen dan in 2006. Er is dus potentieel genoeg, als we het maar aanboren.

Hoe? Door als afdeling in te zetten op wijkkerngroepen die regelmatig bijeen komen om zaken in hun omgeving te verbeteren. Door werkafdelingen te vormen op bedrijven zodat werknemers, in combinatie met de vakbonden, politieke vraagstukken aan de orde kunnen stellen en zich daarop kunnen organiseren. Door in te zetten op een volledige democratisering van de afdeling en partij. Door het democratisch tekort in de samenleving, dat zich manifesteert op elk niveau, zeker niet alleen de politiek, aan de orde te brengen. Door met een strijdbaar programma te komen waarin de effecten van de crisis op gemeenteniveau bestreden wordt dmv bedrijfsbezettingen, stakingen, protesten. Door te beginnen met een kritische zelf-reflectie op wat voor soort partij we nodig hebben en wat voor beginselprogramma daar bij past.

Het zijn maar wat zaken die nu bij me opkomen. De rechtervleugel heeft hier geen antwoorden op of wíl ze eigenlijk niet beantwoorden. Daarom is het nodig dat de linkse SP’ers zich gaan organiseren in een constructieve linkervleugel binnen de partij met als doel de oude leiding op elk niveau weg te krijgen en de weg vrij te maken voor een échte socialistische massapartij van vele honderdduizenden leden.

Gaat dat lukken vóór 9 juni? Nee, dit is iets wat jaren zal kosten, zeker gezien de deplorabele staat waarin links binnen de partij zich nu bevind. Maar deze gemeenteraadsverkiezingen en strakjes de landelijke verkiezingen maken wel de weg vrij voor verandering. En die is hard nodig.

Autor: Emil

~ 03/03/10

Op basis van de exit polls voor de gemeenten is een extrapolatie gemaakt op wat voor partijen de mensen zouden stemmen in de Tweede Kamer met het stemgedrag van deze verkiezingen (hoe zit dat eigenlijk met de lokale partijen, hoe wordt dat “landelijk” berekend?). Hier komt naar voor wat we eigenlijk al wisten: De SP heeft een dikke gele kaart. -14 zetels voor de kamer!

Dit is een helder signaal beste SP! Uw achterban (werkenden, werklozen, jongeren, vrouwen, allochtonen) zit niet te wachten op  PvdA 2.0. Een linkse koers van principiële oppositie is nodig. Geen water bij de wijn doen, geen standpunten weggooien, maar juist regelrecht ingaan tegen de kapitalistische logica die alle andere partijen voorstaan. Pak die anti-establishment positie terug van die Wilders maniak… of ga ten onder.

Dit is wellicht het meest belangrijke jaar in de ontwikkeling van onze partij sinds de oprichting en ik blijf optimistisch dat vóór 9 juni het roer om kan. Maar daarvoor moet het wel afgelopen zijn met illusies in coalitiepolitiek! Een helder socialistisch alternatief is bittere noodzaak.

Autor: Emil

De NOS meldt zojuist dat Wilna Wind opstapt als lid van het federatiebestuur van de FNV. Ze vertrekt per 15 maart. Dit is enorm goed nieuws! Hoewel de NOS Wilna neerzet als “taaie onderhandelaar” was ze veelal verantwoordelijk voor een volledige uitverkoop. Zeker haar rol in de AOW blamage vorig jaar zal hebben meegespeeld in haar “persoonlijke overweging”.

Maar hier moet het niet stoppen! Er is vette kans dat Wilna nu het veld moet ruimen als zondebok om de rest van het federatiebestuur de kop te redden. Laten we even wel wezen: Het gehele federatiebestuur treft blaam voor de verotte strategie en de overige drie moeten zsm ook opstappen! Laat de leden maar een nieuw bestuur kiezen wat wel de daad bij het woord voegt en niet moties naar zich neerlegt…

Post tags: