Autor: Emil

~ 17/11/11

Even ter uwer informatie: De SP is géén socialistische partij. Dat zegt althans partijvoorman Jan Marijnissen in een recent interview met De Pers. Even een relevant citaat uit het interview:

Wordt Nederland dan toch nog socialistisch?

‘Het woord socialisme gebruik ik eigenlijk niet.’ (more…)

Autor: Emil

~ 06/11/11

Vandaag was er in Sittard voor de tweede week een Occupy bijeenkomst. Vorige week zaterdag was de eerste, maar daar moest ik helaas verstek laten gaan. Vandaar dus pas dit eerste stukje. (more…)

Autor: Emil

~ 09/03/11

In de Volkskrant van vandaag staat een dubbelinterview met de Europarlementariërs Dennis de Jong (SP) en Bas Eickhout (GroenLinks). Helaas staat het stuk niet online (althans, ik vind het niet), maar in de papieren versie staat het op pagina’s 14 en 15 onder de kop “Europa maakt een grote vlucht vooruit”.

Wat is de kwestie? De EU trekt bepaalde lessen uit de afgelopen periode waarin grote geldsommen werden neergelegd om te voorkomen dat Griekenland en Ierland failliet gingen. Er werd preventief gehandeld bij Portugal en Spanje (en dat gevaar is zeker nog niet weg). Hoe reageert de elite achter het Europese project? Zoals ze eigenlijk consequent heeft gereageerd bij elke crisis en tegenslag de afgelopen 60 jaar: door een vlucht vooruit te nemen.

Er wordt nu voorgesteld om “verregaande afstemming” te bereiken op het gebied van “economie, financiën, sociaal en fiscaal beleid” en om een “harmonisering” van onder andere de vennootschapsbelasting, aldus de krant.

Voor de goede orde, dit is natuurlijk een harmonisatie vanuit het standpunt van de elite. Zaken als een “flexibele arbeidsmarkt” (lees: baanonzekerheid), hogere BTW en een einde aan de CAO zijn niet bepaald voorbeelden van sociale vooruitgang. Maar wat hadden we anders verwacht? Het Europese project is altijd al een project van de heersende klasse geweest, in de interesses van die klasse.

Maar waarom die vlucht vooruit? Waarom streven naar meer eenheid, juist wanneer iedereen (?) het heeft om de “zwakke broeders” maar af te stoten?

De lange termijn strategie, vanuit het oogpunt van de Europese kapitalisten, is gebaseerd op de realisatie dat de individuele lidstaten geen partij vormen voor de grote machten op de planeet, zoveel werd na de Tweede Wereldoorlog wel duidelijk, met name voor Duitsland en Frankrijk. Eenheid is dus noodzaak wil Europa een “meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld te worden” (een van de expliciete doelen van de Lissabon Agenda).

De  EU liep echter tegen haar eigen grenzen op bij het uitbreken van de crisis. Het idee dat na de invoering van een economische en monetaire unie, een politieke unie wel zou volgen, dat bleek echter niet zo te zijn en dus zaten de Europese mogendheden met de handen in het haar: Wat te doen met Griekenland, Ierland en die vele andere lijken in de kast? De oplossing is dus hetzelfde oude riedeltje: Verdere eenheid.

Dennis de Jong schreeuwt moord en brand over deze ontwikkeling, die door beide Europarlementariërs als de grootste sinds de invoering van de Euro wordt gekenmerkt. Enkele citaten:

“Tot nog toe was  er sprake van vrijblijvende coördinatie, straks is er Europese dwang”

“Voor je beslist zoveel macht uit handen te geven, moet je eerst alle opties onderzoeken. Ook de opsplitsing van de Eurozone in een zwakker en sterker deel”

“We zijn al eerder gedwongen de Europese vlag op de Tweede Kamer te plaatsen”

“Neem het afschaffen van de grenscontroles, dat is toch prettig, reizen zonder paspoort. Ik werkte destijds voor Justitie en iedereen wist daar: dit is maar de helft van het verhaal. De andere helft was dat met de grenshokjes ook ons asielbeleid zou verdwijnen”

“De vlucht naar voren is het enige wat Rutte en zijn collega’s kunnen bedenken. Nog meer Europa. Ze doen alles steeds in de verkeerde volgorde”

Het is duidelijk wat  de boodschap van Dennis is: Die grote boemannen uit Europa pikken onze soevereiniteit af. Straks zijn wij een provincie van de EU. Wij hebben niks meer te vertellen over onze zaken. Daarom moeten we “minder Brussel” hebben (SP verkiezingsslogan bij de afgelopen Euro verkiezingen) en meer Den Haag.

Wat een nationalistische onzin.

Het idee stoelt op het Keynesianisme als alternatief op het neoliberalisme. Korte uitleg. Na de Tweede Wereldoorlog kende het kapitalisme haar langste en grootste groeiperiode uit haar geschiedenis. In deze periode werd een strategie toegepast van de econoom John Maynard Keynes die voorstelde dat crises op te lossen zijn door te investeren in de economie als de economische groei stagneert en te sparen als er sprake is van stijgende groei. Op deze politieke basis werd de welvaartsstaat (ook wel denigrerend de “verzorgingsstaat” genoemd) uitgebouwd. De economische basis was natuurlijk de lange economische boom. De sociale basis was de klassenstrijd, de welvaartsstaat was een manier om de arbeidersklasse af te kopen en de sociale vrede te bewaren.

Dit had echter het vervelende effect, voor de kapitalisten, dat de arbeidersklasse steeds sterker werd en steeds meer politieke toegevingen ging eisen. Mei 1968, de grootste algemene staking uit de Franse geschiedenis (en er gebeurde meer dat jaar in Italië en andere landen), was daarin het keerpunt. Politiek werd de keuze gemaakt door de kapitalisten om een andere koers te volgen, vanaf 1973-75 komt daar de economische crisis bij. Thatcher en Reagan vertegenwoordigde dat nieuwe politieke geluid van de kapitalisten, iets wat zij “monetarisme” noemde en wat later doorontwikkeld is naar neoliberalisme.

Een van de economische peilers van neoliberalisme is het beheersen van de inflatie. Het verhaaltje dat erbij verteld wordt is dat inflatie betekent dat de economische groei gestimuleerd kan worden, hetgeen werkgelegenheid betekent.

Dit is een leugen. Een lage inflatie betekent een laag overheidstekort, hetgeen een strikte bezuinigingsdiscipline inhoudt. Hetgeen dus sociale aanvallen inhoud. De inflatie wordt doelbewust gebruikt als wapen om de arbeidersklasse te disciplineren, dat heet: de georganiseerde arbeidersbeweging zoveel mogelijk kapot te maken. Dit is iets wat Dennis niet begrijpt, getuige dit citaat: “[Het opkopen van obligaties] behoort niet tot de taken van de ECB, de bank moet inflatie bestrijden”.

Maar terug naar het Keynesianisme. De SP is een partij die staat voor “vroeger was alles beter”, de welvaartsstaat moet weer terugkomen, we draaien de klok terug. Niet het kapitalisme maar het neoliberalisme is de grote boosdoener. Dit is een illusie. Zelfs al zou er genoeg geld zijn om de Keynesiaanse strategie nieuw leven te doen inblazen, dan nog gebeurde het niet juist omdat de kapitalisten koste wat kost willen voorkomen dat ze feitelijk gaan betalen voor strijdbare arbeidersbeweging die hun ondergang kan betekenen. Keynes is dood en daarmee het reformisme.

Wat we nodig hebben is een radicaal andere strategie. Niet Keynes, maar Marx. In zijn tijd pleitte hij voor de vereniging van de Duitse natie (die destijds was verdeeld over talloze kleine vorstendommen, etc.). Niet uit een nationalistisch idee, maar omdat dit de democratische en de fysieke ruimte gaf om de arbeidersklasse als klasse te organiseren.

Op een gelijkaardig niveau zouden we nu naar Europa moeten kijken. Het is ontegenzeggelijk waar dat het kapitalisme een globaal systeem is en willen we een positief alternatief daar tegenover stellen, moeten we ook op een globale schaal denken. Met om te beginnen, voor ons dan, Europa.

Natuurlijk is de EU een kapitalistisch project, maar is Nederland dat niet ook bijvoorbeeld? Pleiten voor “minder Brussel” is net zo onzinnig als pleiten voor “minder Den Haag”. De kwestie is juist een democratische: hoe krijgen we het voor elkaar dat Europa onze belangen gaat vertegenwoordigen, als trans-Europese arbeidersklasse?

Willen we een alternatief vormen op het kapitalisme dan moet de arbeidersklasse zich als collectief organiseren, een globale taak. De SP zou er goed aan doen om een dergelijk uitgangspunt te nemen in plaats van zich te blijven verstoppen in een mythisch verleden over “vroegah”. Des te langer de SP daarin blijft steken, des te meer ze een rem vormt voor de politieke ontwikkeling van de Nederlandse arbeidersbeweging.

Autor: Emil

~ 06/03/11

De resultaten zijn dus binnen. In Limburg is de PVV zelfs de grootste geworden (met 5000 stemmen meer dan het CDA). Maar desondanks heeft de regering toch niet de benodigde meerderheid behaald voor de komende Senaatsverdeling (de nieuwe Senaat wordt overigens pas op 23 mei geïnstalleerd). Echter, links – PvdA, GroenLinks en SP – heeft ook niet bepaald een meerderheid, slechts 27 zetels zullen ze in de nieuwe Senaat bezetten, 10 minder dan de regering.

Pieter Brans heeft er zijn visie op gegeven en ik deel de conclusie dat alleen strijd de regeringsplannen echt van tafel krijgt. Dat heeft niet alleen te maken met het feit dat PvdA en GroenLinks niet echt linkse partijen zijn (beide zullen vast concessies doen richting bezuinigingen). Zelfs Tiny Kox haastte zich op de verkiezingsavond te zeggen dat “elk wetsvoorstel bekeken zal worden” (iets wat aansluit bij Roemer’s uitspraak dat de SP niet principieel tegen bezuinigingen is, maar alleen tegen dergelijke maatregelen op de “verkeerde” plekken). Het heeft er ook mee te maken dat louter parlementaire oppositie geen alternatieven opbouwt.

Hier ligt er toch een lacune bij het betoog van Pieter, iets waar een beetje overheen wordt gekeken: Waarom dropt de SP zo sterk in steun? En, als we dit weten, kan de SP dan wel een basis vormen voor en leiding geven aan  strijdbewegingen?

De reden waarom de SP zo zakt, naar mijn bescheiden mening, is vanwege de rechtse koers richting realpolitik die de partij al jaren maakt. Daar is op deze blog al meermalen over geschreven, dus ik zal mezelf niet herhalen. Mensen hebben geen behoefte aan een wat linksere variant van een transparant failliet systeem. De antwoorden die de partij aandraagt zijn geen antwoorden. Hierdoor ligt er een vacuüm in politieke behoefte van de werkende klasse, wat elke vorm kan aannemen zolang dat initiatief wordt overgelaten aan pro-kapitalistische politici.

Wilders is daarvan een voorbeeld. Hij nam zeer effectief het stokje over van de SP als dé anti-establishment partij. De SP heeft dat bij deze verkiezingen weer terug proberen te pakken met haar slogan “NU SP – Protest!”, maar dat lijkt niet te zijn gelukt. Het verhaal wat we zagen bij de Tweede Kamer verkiezingen vorig jaar draaide min of meer opnieuw af.

Hoewel, toch niet helemaal. De feitelijke steun voor de PVV ligt lager dan vorig jaar. Ze hebben 9 zetels gekregen, wat zich vertaald naar 18 in de Tweede Kamer, terwijl ze er 24 hebben. De holle retoriek van Wilders lijkt dus al zijn hoogtepunt te hebben gehad. Maar het vacuüm duurt voort en er zullen vast weer andere trucs uit de hoge hoed komen mocht Wilders’ clubje weer uiteen spatten.

De SP is al met al ook niet het antwoord gebleken. In haar post-groeispurt fase van 1994 tot 2006 lijkt de partij steeds minder een mogelijk alternatief te zijn voor de arbeidersklasse. Althans, de partijmachine. De SP heeft nog steeds veel activisten die goed werk doen en soms het verschil maken. Ron Meyer bijvoorbeeld in Heerlen heeft in 2010 een vitale rol gespeeld in de organisatie en radicalisatie van de schoonmakers, een voorheen apathische sector. Onder de slogan van “Respect!” is deze groep getransformeerd naar een strijdbare sector die zich niet zomaar meer laat commanderen. Dergelijke arbeiders-leiders hebben we veel meer nodig.

Helaas worden dergelijk waardevolle mensen slechts gezien als een “gezicht” dat je op het merk SP kunt plakken. Dat de partijleiding niet openstaat voor een linksere koers door deze “plakkers” laten de royeringen wel zien die leden van bijvoorbeeld IS en Socialistisch Alternatief hebben ondergaan. De partij is er alleen maar ondemocratischer op geworden en de cultuur van ja-knikken versterkt. Daarmee is het mechanisme om de partij te transformeren en tot een potentiële arbeiderspartij te maken, verstompt.

Srijdbewegingen zullen het dus een tijd lang moeten stellen zonder een degelijk politieke leiding. Klein links (IS, Socialistisch Alternatief, Doorbraak, NCPN/CJB, etc) kunnen daar maar in zeer beperkte manier een invulling aan geven. Desondanks zal het binnen de SP wel degelijk blijven borrelen. Toekomstige splits zijn ook niet uitgesloten.

Dat herinnert me er overigens aan: de CDSP/Solidara kwestie! Waar ging dat ook alweer over? Bij de vorige Senaatsverkiezing in mei 2007 werd Düzgün Yildirim gekozen voor de SP door de SP provinciale statenleden. Dit was echter niet de bedoeling van de partijleiding (Yildirim stond op een onverkiesbare plek, de SP PS leden hadden echter met voorkeusstemmen Yildirim verkozen) en deze eistte, op haar zo charmante manier…, dat Yildirim zou aftreden. Om dergelijke voorvallen in de toekomst te voorkomen werd er een nieuwe regel verzonnen door de partijleiding: de SP PS leden moeten zich voortaan aan de lijstvolgorde houden, dat heet, stem altijd nummer 1. Democratie heet dat dan.

Hoe dan ook. Yildirim protesteerde en zette in juli het Comité Democratisering SP op, iets waar Socialistisch Alternatief (destijds nog Offensief) zich bij aansloot. Dit had het potentieel om een grote groep SP’ers te bereiken en een campagne op te zetten voor democratische hervormingen in de partij, iets wat de arbeidersbeweging ten goede zou komen aangezien zo veel meer stromingen in de arbeidersbeweging een thuis konden vinden in de partij, waardoor de partij dan ook het potentieel zou hebben om een echte klassepartij te worden.

Maar de door de rechterzijde gedomineerde partijleiding – die bij zoiets alles te verliezen heeft – wilde er niets van weten en royeerde Yildirim. Helaas trok dit het gros van de mensen bij het CDSP leeg richting een split dat Yildirim verzekerde van zijn zetel in de Senaat. De split kreeg de naam Solidara en bestaat nog steeds. Daarna schijnt de partij nog een keer gesplit te zijn, maar ik ben het overzicht sinds begin 2008 kwijt en het interesseert me ook niet zoveel.

Dat het eigenlijk niemand wat interesseert blijkt ook uit de verkiezingsresultaten van deze “partij”. Bij de Europese verkiezingen in 2009 haalde ze daar een spectaculaire 0,2% van de stemmen (volgens Wikipedia). Bij de gemeenteraadsverkiezingen vorig jaar ging het al niet veel beter en haalde ze een score van 0,9% in Zwolle (de enige plek waar ze meedongen). Nu deed Solidara mee in Overijssel en Drenthe en behaalde ze respectievelijk 0,16% en nul zetels (ik zie geen exacte percentages bij deze pagina). Het lijkt er dus op dat Düzgün na 23 mei een nieuwe baan moet gaan zoeken.

Met het einde van dit voetnootje komt ook een einde aan een meningsverschil die we destijds hadden en we uiteen zette in een Open Brief begin 2008. Een toenmalig lid van Offensief zag het namelijk helemaal zitten met Solidara en werd er zelfs partijsecretaris voor. De meerderheid van onze groep kon zich hier echter niet in vinden en vond dit gedrag uitermate schadelijk. Hij voelde zich blijkbaar niet serieus genomen en zei z’n lidmaatschap op. Later heb ik nog even vernomen dat hij de revolutie was begonnen bij GroenLinks en tegenwoordig zit hij bij de Vonk, om maar met Ted Grant’s woorden te spreken, de “twee mensen en hun hond” sectie van het IMT. Een beetje jammer dat het Nederlands revolutionair linkse landschap zo nog verder versplinterd is geraakt, het is al allemaal zo klein.

Hoe dan ook, strijd is nodig. De regering heeft inderdaad een minderheid, maar slechts een uiterst marginale. De SGP, 50+, D’66 of een andere partij hoeft slechts steun te geven, al is het maar met één zetel, om wetten erdoor te krijgen. De SGP lijkt hiervoor de meest willende kandidaat.

Ook zal de strijd op zichzelf nieuwe arbeiders-leiders opleveren, een voorhoede kweken. Het is de taak van communisten om daaraan een degelijke basis te geven.

Autor: Emil

~ 02/03/11

Als Socialistisch Alternatief hebben we deze keer geen stemadvies gegeven of eigenlijk maar iets aan commentaar over de verkiezingen. Ik denk dat dat vooral is dat we niet echt meer lauw of warm worden van de SP. Ter elfder uur wil ik daar dan toch nog wat over zeggen.

Ik ga erop uit om te gaan stemmen. Niet omdat dat mijn “burgerplicht” is of zoiets onzinnigs. Nee, we leven immers helemaal niet in een democratie, maar in een farce waar een plakker van “democratie” op zit, maar waar eigenlijk een kleine parasitaire minderheid heerst. Voor de Belgische lezers van deze weblog verwijs ik even naar hoe ons kiesstelsel werkt mbt Proviciale/Senaatsverkiezingen.

Nee, ik ga stemmen, en wel op de SP, om een paar redenen. Allereerst de keuze voor de SP, die is het meest opportuun. De SP is een partij van twee gezichten geworden. Aan de ene kant een partij die bestaat uit strijdbare en vaak ook gewoon eerlijke activisten die op willen komen voor een betere wereld. Aan de andere is de partij echter een gladde electorale machine geworden die deze activisten cynisch inzet als politiek merk, waar al eerder over is geschreven. Ik geef mijn stem aan dit gezicht helaas vandaag. De alternatieven zijn stuk voor stuk echter nog slechter, dus ik ga maar voor “het minste kwaad” deze keer.

De redenen liggen hem meer strategisch dan wat anders. In de eerste plaats is een stem op de oppositie een stem tegen dit kabinet. En met een minderheid van VVD, PVV, CDA, zou dat nog weleens lastig kunnen gaan worden voor Rutte. Daar is verder al genoeg aandacht aan besteed in de media, dus daar laat ik het bij.

De diepere reden is echter interessanter en iets waarover je zelden iets hoort in de media. Wat nou als de linkse oppositie een meerderheid krijgt in de senaat? Dan heb je twee mogelijkheden. De eerste is een constitutionele houdgreep waarin links (PvdA, GroenLinks en SP) alle voorstellen van Rutte van tafel veegt. De tweede mogelijkheid is echter meer waarschijnlijk: “in het landsbelang” zullen PvdA en GroenLinks (de laatste recent nog met de Kunduz missie) toegevingen doen. Hierdoor zullen deze partijen door de mand vallen als boterzachte “oppositie” waarin Rutte feitelijk kan doen en laten wat hij wil.

En wat doet de SP? Die zal ook kijken naar de “menselijkheid” van elk voorstel. Roemer stelde recent nog op Uitgesproken (dacht ik) dat hij ook “bezuinigingen noodzakelijk vind” (alleen dan niet op de “verkeerde” plekken). Ik verwacht een verdere verrechtsing van deze gladde mannen in pakken.

Het punt waarvoor ik stem is dat dit een win-win situatie is voor een revolutionair-socialist als ik. Óf links houd haar woord en laat het komen tot een constitutionele crisis wat uitmondt in nieuwe verkiezingen – iets wat de staat verzwakt en de arbeidersbeweging de tijd geeft om zich te organiseren tegen de bezuinigingen van álle partijen – óf de PvdA en GroenLinks raken nog verder gediscrediteerd als “linkse partijen” – iets wat op korte termijn volksmenners als Wilders de mogelijkheid geeft terrein te winnen, maar juist ook een vacuüm op links opent voor een nieuw alternatief.

Post tags:

Autor: Jos

~ 17/12/10

Vandaag maakte Femke Halsema bekend op te stappen als fractieleider van GroenLinks, een politiek leider die bekend stond om haar pro-liberale koers. Wat betekent dit voor de ontwikkeling van de partij? Is een verschuiving naar links weer mogelijk? En wat houdt dit in voor de SP?

GroenLinks is in 1989 ontstaan als een fusie van vier kleine linkse partijen: de Communistische Partij Nederland, de Pacifistisch Socialistische Partij, de Politieke Partij Radikalen en de Evangelische Volkspartij (1). Sinds het aantreden van Halsema maakte de partij een scherpe ruk naar rechts, zo werd de koers “links-liberaal”, wat feitelijk een omarming van neoliberale politiek inhield. Zo komt ze sinds 2006 op voor een versoepeling van het ontslagrecht. Op haar website schrijft ze daarover: “Het ontslagrecht beschermt werknemers tegen onredelijk ontslag en regelt financiële compensatie bij ontslag. In de praktijk sluit het huidige ontslagrecht niet aan bij een moderne arbeidsmarkt” wat dan concreet inhoudt dat “om ervoor te zorgen dat iedere werkende gelijk wordt behandeld, wil GroenLinks de huidige ontslagvergoedingen voor enkelen omzetten naar scholingsrechten voor allen. Bedrijven moeten mensen niet op straat zetten, maar van werk naar werk begeleiden” (2). Klinkt leuk in theorie, in de praktijk betekent het baanonzekerheid in een tijd van crisis en het ondersteunen van de behoefte van kapitalisten aan een “leger van arbeid” dat ze altijd weer op straat kan zetten naar gelang haar noden. Dit wordt nog eens onderstreept door expliciet een baangarantie uit te sluiten, immers het ontslaan van mensen hoeft alleen te worden “ontmoedigd”.

Een recenter voorbeeld is is de inzet van de partij om in een “Paars-plus” coalitie te komen. GroenLinks zette zich toen, veelzeggend, sterk af tegen de “sociaal-conservatieve” SP. Arno Bonte, fractievoorzitter voor GroenLinks in Rotterdam vat het aardig samen: “Er is een toenemende tegenstelling tussen mensen die in de veranderende samenleving vooral de kansen zien en mensen die die veranderingen vooral als bedreiging ervaren. […] Die analyse is in mijn ogen de belangrijkste basis voor Paars-plus. Er tekent zich een nieuwe politieke waterscheiding af: een tegenstelling tussen de optimisten en de pessimisten. De optimisten, de mensen die vooral de kansen zien in de veranderende samenleving, vind je bij GroenLinks, D66, VVD en (in iets mindere mate) bij de PvdA. En de pessimisten, de mensen die de veranderende samenleving vooral als bedreiging ervaren, vind je bij de PVV, SP, SGP en (in iets mindere mate) bij CDA en ChristenUnie” (3). Achteraf pure dagdromerij.

Politiek merk

De pro-neoliberale koers van de partij heeft echter nooit zoden aan de dijk gezet. De partij bleef altijd marginaal, zo rond de tien zetels. Een reden hiervoor is dat met D66 en VVD, de “liberale” stroming al aardig goed is vertegenwoordigt. Omdat het verschil met D66 tegenwoordig zo klein is, gaan er zelfs geluiden op om maar te fuseren met deze partij, zoals blijkt uit de petitie “Nieuwe Partij” die door “kiezers” is opgezet, maar een brede stroming in beide partijen vertegenwoordigt: “Nederland is een vooruitstrevend, liberaal, sociaal land. Maar wij, de sociaal liberalen in Nederland, zijn verdeeld over Groen Links, D66, VVD, PvdA, PvdD, CDA en CU. Daardoor hebben we geen sterke stem. D66 en GroenLinks zijn samen de beste basis voor een sterke, progressief sociaal liberale partij”, inmiddels ondertekent door bijna 4000 mensen (4).

Het onderliggende punt hier is dat de partij – tegenwoordig een formatie die feitelijk alleen bestaat binnen parlementen, statenfracties en gemeenteraden – van een partij van activisten (zoals het geval was in de pre-fusie partijen) naar een politiek “merk” is geëvolueerd, of zoals Halsema het zelf kernachtig samenvat: “van de straat naar de staat”. Een partij waarin de partijleiding zich aan het roer ziet van een politiek bedrijf dat zich plooit naar de wensen van stemmers die de rol hebben van consumenten. Socialisten daarentegen staan voor een partij van activisten waarin leden een centrale actieve rol spelen en die door het bijeenbrengen van de meest politiek bewuste lagen van de arbeidersklasse ernaar streeft om de hele klasse te organiseren. Voor ons is een politieke partij veel meer dan een stemmenmachine. Het woord “partij” betekent feitelijk “deel”. Een socialistische partij organiseert dan ook het socialistisch deel van de arbeidersklasse. GroenLinks is al lang van dit idee afgestapt en het lijkt dan ook niet waarschijnlijk dat GroenLinks ooit weer een echte progressieve rol gaat vervullen in de arbeidersbeweging.

Bovendien, met het vertrek van Halsema verdwijnt het meest bekende gezicht van de partij. Haar vervanger, Jolande Sap, is een totaal onbekend figuur voor het grote publiek. Het gevolg hiervan hebben we kunnen zien toen Marijnissen vertrok als “boegbeeld” van de SP fractie; de partij kelderde hard in steun. Mocht de regering op redelijk korte termijn imploderen en nieuwe verkiezingen nodig zijn, ligt het voor de hand dat GroenLinks danig wat steun zal verliezen.

Waarschuwing voor de SP

Ook de SP zit op een dergelijke koers, hoewel deze partij zich nu nog in een overgang begeeft van het een naar het ander. In tegenstelling tot GroenLinks kent de SP wel een traditie van activisme en ook is de partij goed vertegenwoordigt in de meer activistischere lagen van de vakbeweging. Dit geeft een zekere tegendruk in de verrechtsing van de partij, maar desondanks is het de afgelopen jaren daar alleen slechter op geworden. Iets waar we vaak op hebben gewezen en wat ons niet in dank werd afgenomen, zoals onder meer bleek uit de twee royeringen van Socialistisch Alternatief leden uit de SP, met als argument dat we een “partij in een partij” zouden zijn.

De tendens naar rechts lijkt dus sterker te zijn, en dat heeft met twee factoren te maken. In de eerste plaats is er al lang geleden een koers ingezet op “reële eisen” om verkozen te worden en om een eigen politiek “merk” neer te zetten, iets wat grafisch vorm werd gegeven in het logo van de tomaat, een ontwerp van een reclamebureau! Hiermee gaf de partijleiding toe aan de status quo van de kapitalistische orde en wat er mogelijk is binnen het parlement. Coalities zijn hiervoor onvermijdelijk binnen het Nederlands bestel, wat de noodzaak aan nog meer “acceptabele” eisen versterkte en de verrechtsing versnelde.

De tweede, gerelateerde, reden is dat men in een dergelijk model geen behoefte heeft aan een mondig en zelfdenkend lidmaatschap. De politieke scholingen in de partij zijn er dan ook vooral op gericht om trucjes te leren (zoals “debattechnieken”) of organisatorische vaardigheden. Op zichzelf geen slechte zaken, maar wat ontbreekt is een politieke scholing. Het lidmaatschap wordt geacht te volgen wat de partijleiding ook zegt.

De enige reden waarom de partij nog een activistische basis heeft is omdat ze “activisten” (in de enge zin van het woord: folderaars, soepkar mensen, etc…) nodig heeft, aangezien dit hoort bij het politieke merk van de SP richting de doelgroep bij wie ze stemmen wil halen: de werkende klasse. In deze zin blijft de SP progressief aangezien mensen door hun activiteiten kunnen radicaliseren, iets wat steeds waarschijnlijker gaat worden in de komende periode van studenten- en vakbondsstrijd. Deze strijd blijft echter onderdanig aan de parlementaire fractie en daarmee dus beperkt.

Als socialisten roepen we op dat de SP drastisch moet veranderen. In de eerste plaats moet de partij democratiseren, zodat basisactivisten en de arbeidersbeweging in haar geheel kunnen debatteren over de te volgen tactieken, strategie en over programma en theorie. Van een dergelijk open debat cultuur gaat een enorme politiek educatieve werking uit, aangezien het activisten dwingt na te denken over dergelijke zaken.

Ten tweede moeten de verboden en belemmeringen op de revolutionair linkse stromingen per direct worden herroepen. Het is zaak dat we één arbeiderspartij vormen waarin verschillende stromingen zich kunnen organiseren. Wij zullen hierin blijven opkomen voor een Marxistisch programma die een concreet alternatief laat zien en beschrijft hoe we daar gaan komen, een programma die de arbeidersklasse als klasse voor zich organiseert, internationaal en democratisch.

Deze veranderingen zullen niet vanzelf komen. Zoals gezegd is de kans groot dat lagen van activisten binnen de SP de komende periode zullen radicaliseren. Vaak zal dat leiden tot desillusie in de partij en zullen deze leden vertrekken. Ook linkse splitsingen zijn mogelijk. De derde mogelijkheid is dat deze leden een principiële strijd kunnen voeren voor een meer radicale koers en, bij gebrek aan een democratische partijstructuur, horizontale links gaan leggen tussen basisactivisten. Dit biedt openingen om massale steun te krijgen om de partij te herorganiseren. Hoe dan ook, de komende periode van klassenstrijd zal cruciaal blijken voor de ontwikkeling van de SP en we hopen dat GroenLinks alvast goed laat zien wat het alternatief is als de huidige koers wordt aangehouden.

Noten
1. http://nl.wikipedia.org/wiki/GroenLinks
2. http://standpunten.groenlinks.nl/ontslagrecht
3. http://arnobonte.wordpress.com/2010/07/05/optimistisch-over-paars-plus/
4. http://www.nieuwepartij.nl/

Ik hoop met deze post dit blog weer eens nieuw leven in te blazen 🙂

Autor: Emil

~ 23/03/10

Vandaag een interview met Emile Roemer op radio 1. De eerste twee minuten gaan over z’n liefde voor de saxofoon, leuk voor wie dat spannend vindt. De rest is een stuk boeiender. Wat punten:

De SP is blijkbaar “even” het vertrouwen van de achterban kwijtgeraakt. (5:30) Die realisatie is dus eindelijk binnengedrongen bij de partijleiding, mooi.

“En natuurlijk moeen we dan ook een pakket hebben waarvan we [ons wensenlijstje] van gaan betalen” (7:40) 10 miljard! En de ambtelijke werkgroepen kunnen daarin helpen. De overheidssector mag een hele hoop ontslagen verwachten van de SP. Onder het mom van de “strijd tegen de bureaucratie” natuurlijk.

AOW op 65 is geen breekpunt, maar iets wat de partij als “laatste inlevert” (16:45). Eh? Waarom ben je daar niet duidelijk over meneer Roemer?

Over de hypotheekrenteaftrek (17:30) valt te praten. Dit is echter problematisch. Een gigantische berg huishoudens heeft hier immers mee te maken en het is daarmee een rijzende kostenpost voor de staatskas. Het is daarom voor de hand liggend dat dit een van de eerste bezuinigingsposten gaat zijn.

Wat de SP niet begrijpt (ik heb het eens op een regioconferentie besproken, ik werd uitgelachen door partijprominenten) is dat de hypotheekrenteaftrek op zichzelf ook maar een deel is van een groter probleem. Het eigenlijke probleem zijn de torenhoge grondkosten, gemiddeld zo’n 60% van de huisprijs. Dáár spreekt de partij niet over, het zet alleen de deur open voor bezuinigingen op een regeling die het veel mensen mogelijk maakt een eigen woning te hebben. Natuurlijk moeten we iets doen aan de onhoudbare situatie van de hypotheekrenteaftrek, maar er simpelweg op bezuinigen is geen oplossing, maar symptoombestrijding.

Renske Leijten is de hoogste vrouw op de lijst (20:00) – kots.

Verder vooral een interview van iemand die overkomt als beroepspoliticus die werkt binnen de regels van het Haagse spel, ik heb niet het idee dat we er op vooruit zijn gegaan.

Wél heel interessant is dat op de voorgestelde lijst nu Ron Meyer staat en wel op plekje 22. Ik hield afgelopen zaterdag een interview met hem over de schoonmakers sit in op Utrecht CS en daaruit blijkt gewoon klip en klaar dat we hier te maken hebben met een echte vertegenwoordiger van de belangen van de kleine man en vrouw. Het lijkt er zwaar op dat hij m’n stem gaat hebben, maar een beetje jammer dat de peilingen er niet bepaald florisant uitzien voor de partij (8 zetels…). Dan maar hopen op voldoende voorkeurstemmen.

Ook is het programma uit, voor wie zich verveelt, erg radicale oplossingen zul je er niet in vinden.

Autor: Emil

~ 14/03/10

Ik kreeg zojuist deze massmail binnen:

Wordt het op 9 juni retro-rechts of lef van links?

Beste Emil Jacobs,

Verbijstering, woede en verdriet wisselden elkaar in hoog tempo af nadat Agnes de fractie had laten weten dat ze ermee ging stoppen. Het negatieve beeld dat over haar ontstaan was, kreeg steeds meer de overhand. Alle inspanningen ten spijt, je zag Agnes ongelukkiger worden. Het negatieve beeld zou de komende weken de campagne blijven overheersen. Agnes koos voor het partijbelang en besloot te stoppen als als fractievoorzitter en zich ook niet meer kandidaat te stellen als lijsttrekker bij de komende Tweede Kamerverkiezingen. Twintig jaar niet aflatende inzet voor de SP werd abrupt beeindigd. De hele fractie zat er verslagen bij. ‘Dit verdient Agnes niet.’

Maar de wereld draait door. 9 juni staan de mensen in Nederland voor de keus welk Nederland zij willen. Ik heb me daarom kandidaat gesteld voor het lijsttrekkerschap voor de komende verkiezingen en ik ben verheugd dat de partijraad van de SP hier zaterdag zijn steun aan gaf. Samen met jullie wil ik de schouders eronder zetten. Er zijn nog bergen werk te verzetten, om al die mensen die ons een warm hart toedragen, te bewegen voor de SP te kiezen.

Gisteren in mijn toespraak op de partijraad heb ik de hand uitgestoken naar GroenLinks, PvdA en D66. Ondanks dat er verschillen zijn, is het mijn overtuiging dat wanneer wij samen naar de verkiezing toewerken, wij Nederland een alternatief kunnen bieden. Een alternatief voor de rechtse donkere wolken die zich nu samenpakken. Mijn oproep kun je hier teruglezen.

Met vriendelijke groet

Emile Roemer

P.S. Mocht je nog geen lid wezen van de SP, sluit je aan! We kunnen je hulp goed gebruiken. Klik hier om je aan te melden.

Als reactie hierop schrijf ik een open brief terug die ook is verstuurd naar Emile:

Dag Emile,

Bedankt voor massmail. Ook ik deel je conclusie dat er nog bergen werk te verzetten zijn. Er moet een principiëel tegengeluid worden uitgebouwd tegen het asociale beleid van rechts en rechtser. Daar wil ik graag aan meehelpen.

Ik ben het echter niet eens met je verhaal over Agnes. Natuurlijk had zij dit niet verdient, maar ik respecteer het wel dat ze als politiek leider de verantwoordelijkheid neemt en aftreed. Maar nu lijkt het wel alsof Agnes’ “ongeluk” de oorzaak was van een slechte campagne. Dat is natuurlijk geen objectieve analyse.

Ik constateer dat de partij, waar ook ik zeven jaar van mijn energie in heb gestopt, steeds meer naar het midden opschuift. De NAVO en de Republiek zijn in 2006 vergeten, evenals het terugdraaien van asociaal beleid, zoals in de gezondheidszorg. In de lokale coalities zijn we in diverse gemeenten al verantwoordelijk voor het uitvoeren van overheidsbeleid, hetzij met “een menselijk gezicht”. Wat er echter menselijk is aan bijvoorbeeld bezuinigingen in de sociale dienst of het privatiseren van overheidsbedrijven, is mij nog steeds een raadsel.

De partij is dus in de afgelopen jaren steeds salonfähig geworden, heeft steeds meer de “acceptatie” opgezocht van andere partijen. Dit komt goed naar voren in je mail waarin je oproept voor een coalitie met de-AOW-leeftijsverhoging-is-goed GroenLinks, de wij-draaien-al-jaren-asociaal-beleid PvdA en de-bezuinigingen-gaan-niet-snel-genoeg D’66. Is het dan vreemd dat wij als partij ons anti-establishment imago zijn kwijtgeraakt aan een volksmenner als Wilders?

De SP is groot geworden door op te komen tégen het neoliberalisme en vóór een alternatief, gebaseerd op solidariteit, menselijke waardigheid en gelijkwaardigheid. Nederland heeft geen behoefte aan een PvdA 2.0 en dit zie je dan ook terug in de meest recente peilingen: PvdA is gegroeid met 12 zetels in de afgelopen drie weken naar 27, de SP zakt verder naar 10.

En dan is er nog de kwestie van democratie binnen onze gelederen. Zoals ik zei ben ik zeven jaar lang actief geweest voor de partij, dat ik dat nu niet meer ben is niet mijn keuze geweest. Ik heb mij doorheen de jaren steeds kritischer ontwikkeld ten opzichte van het beleid van onze partij. Dit leidde er toe dat ik in eind 2005 lid werd van de socialistische propagandagroep Offensief. Ik heb me daarom door de jaren steeds meer ontwikkeld als iemand die staat voor strijdbaarheid, basisorganisatie, democratie, internationalisme en een helder socialistisch alternatief. Ik heb deze zaken ook keer op keer, vaak tegen de stroom in, verdedigt binnen de partij, met als doel de partij te versterken en uit te bouwen tot massapartij van de werkende klasse.

De partijleiding scheen echter genoeg te hebben van mijn kritische inbreng en in september afgelopen jaar kreeg ik een brief van deheer van Heijningen met de mededeling dat ik lid was van twee partijen en dien gronde geroyeerd werd uit de SP. De absurditeit van een dergelijk bureaucratische truc zal u niet ontgaan. Samen met mij werd ook Barbara Veger uit Rotterdam geroyeerd met dezelfde reden. Het moet hierbij genoteerd worden dat ik niet uitgezet ben via het gebruikelijke kanaal, een stemming op de afdelingsvergadering, maar direct via de partijleiding.

Mijn oproep is daarom ook aan de partijleiding, en aan jou als kersvers politiek leider, om de royering van mij en Barbara terug te draaien zodat we weer lid kunnen worden van de partij. We zullen hierin zeker onze kritische inbreng blijven hebben en op blijven komen voor een helder socialistisch alternatief, maar zullen graag onze steen bijdragen aan de campagne voor de landelijke verkiezingen in juni en de uitbouw van de partij daarna!

Met strijdbare groet,

Emil Jacobs
Sittard

We zullen de reactie afwachten.

Post tags:

Autor: Emil

~ 06/03/10

Sonja plaatste een vraag in m’n blogpost over de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen, ze vroeg: “Ik lees hier eigenlijk voor het eerst dat er een ‘rechtervleugel’ zou bestaan in de SP. Dar zou ik graag wat meer over lezen.”

Het lijkt me inderdaad nuttig om daar op in te gaan. Om meteen helder te zijn: met “rechts” binnen de SP heb ik het niet over wat men in algemene termen begrijpt als politiek rechts (liberalisme, etc.), maar over sociaal-democratisch rechts. Ik ga hiermee eigenlijk terug naar de definitie zoals die gebruikelijk was vóór 1914, toen de sociaal-democratie in fragmenten brak met de linkervleugel die uiteindelijk de Communistische Partijen zouden gaan vormen na 1917. Het is dus een relatieve plaatsbepaling.

Waarom gebruik ik deze definitie? Om een paar redenen:

  • De arbeidersbeweging is in velerlei wijzen weer terug bij “square one”. Er zijn een aantal historische parallellen te trekken met de periode van voor 1880. Maar het gaat te diep om daar nu op in te gaan.
  • De dominante ideeën binnen de leiding van de arbeidersbeweging zijn terug te voeren op de theorievorming van de rechtervleugel van de oude sociaal-democratie.
  • Het is daarom nuttig de rechtervleugel als zodanig te benoemen, zodat daar een helder alternatief tegenover kan worden gezet.

Het boek Revolutionary Strategy (je kunt hem kopen, of downloaden met een beetje zoeken) van Mike Macnair stelt de definitie vrij helder. Ik zal hem daarom behoorlijk wat citeren:

Aan het einde van hoofdstuk 1:

Around the turn of the 19th and 20th century we can identify roughly three ‘strategic hypotheses’ in the socialist movement. The right wing is traditionally identified with reference to Eduard Bernstein’s Evolutionary socialism, though it in fact included various forms of ‘pure trade unionist’ politics, ethical socialism and so on. The centre can be identified roughly with reference to Karl Kautsky’s (relatively late) The road to power. The left can similarly be identified, even more roughly, and equally on the basis of a late text, with Rosa Luxemburg’s The mass strike, the political party and the trade unions. “Even more roughly” because Luxemburg’s position is in some respects intermediate between the Kautskyites and the core of the left. Both the content of the debate in the Second International and its limitations are essential if we are to understand modern strategic questions rather than merely repeating old errors.

In hoofdstuk 2:

The right: reform v ‘utopianism’

The underlying common idea of the right wing of the movement was that the practical task of the movement was to fight for reforms in the interests of the working class. In order to win these reforms, it was necessary to make coalitions with other tendencies which were willing to ally with the workers’ movement. And in order to make coalitions, it was necessary in the first place to be willing to take governmental office: it was by creating a coalition government that the possibility really arose of legislating in the interests of the working class, as well as of administrative measures (creating social security systems, etc).

Secondly, it was necessary to be willing to make substantial political compromises. Thus Engels, in The peasant question, polemicised against Vollmar’s programmatic concessions to the peasantry in relation to positive subsidies for family farming and in relation to trade union issues affecting agricultural labourers employed by small farmers.

The largest compromise – but, from the point of view of the right, the smallest – would be for the workers’ party to abandon its illusory and futile revolutionism; and, with it, equally illusory Marxist claims about crisis, and the notion that in an economic downswing reforms, as concessions made to the working class, would tend to be taken back unless the working class took political power into its own hands.

In the view of the right, the revolutionism was, after all, already empty of content. The German party, for example, did not call openly for the replacement of the monarchy by a republic and, though the Erfurt programme contained a good set of standard democratic-republican demands (for example, universal military training, popular militia, election of officials, including judges, and so on), these played only a marginal role in the party’s agitational and propaganda work.

The claim that economic downswing would produce attacks on concessions already made could perfectly well be conceded by rightists as true of the bourgeoisie; but the argument that this was also true of the state depended on the claim that the state was a class instrument in the hands of the bourgeoisie, and was thus intertwined with revolutionism.

The right did not simply argue that getting rid of revolutionism would make the workers’ party into a respectable party with which other parties could do business, and which could therefore achieve coalitions, and hence concessions. It also offered a variety of theoretical objections to Marx and Engels’ arguments, based on christianity, Kantianism, nationalism and early appropriations of the marginalist economists’ critiques of Marx. A relatively sophisticated version was Bernstein’s Evolutionary socialism, which argued that the scientific approach of Marx and Engels was diverted by their residual Hegelianism into a utopian revolutionism.

The actual content of the various theoretical objections to Marxism need not be considered here. The core question is the relative value of Marxist and ‘constitutionalist’ arguments in terms of predictive power and, hence, as a guide to action. To address this question it is necessary to separate the rightists’ positive claim – that coalitions based on programmatic concessions can win real reforms – from their negative claim, that ‘revolutionism’ is unrealistic, worthless and illusory.

The right’s positive claim

It should be said right away that the positive claim is true, to the extent that we are willing to treat partial gains for particular groups of workers (eg, workers in Britain; or workers in industry; or in particular industries) as gains for the working class as a whole.

This does not, in fact, depend on the workers’ party being a minority party and hence in need of formal coalitions. If the workers’ party presents itself purely as a party of reform, it will also win members and voters from the existing parties of reform. It may then, like the British Labour Party after 1945, become a party which is in form a workers’ party capable of forming a government on its own, but is in reality in itself a coalition between advocates of the independent political representation of the working class on the one hand, and liberal or nationalist-statist reformers and political careerists on the other: to use Lenin’s very slippery expression, a “bourgeois workers’ party”.

The positive claim is, however, illusory as strategy. Part of this illusory character is due to the fact that the negative claim is false. But part of it is internal. The policy of coalitions based on programmatic concessions is, as I said earlier, based on the need to form a coalition government in order to get effective reforms. But this supposes from the outset that reforms will take the form of state action to ameliorate the situation of the workers. The reform policy is therefore a policy for the growth and increasing power of the state and increased state taxation: as the Conservative press puts it, for the “nanny state”.

The internal problem is that working class people are no more fond of being in perpetual parental leading-reins from the state than the middle classes: the aim of the emancipation of the working class is an aspiration to collective and individual freedom. The policy of reform through coalition governments therefore contains within itself – quite apart from the falsity of the negative claim – the seeds of its own overthrow. The petty tyrannies of the council house manager, the social services officials, the benefit officials, etc, become the ground of a conservative/liberal reaction against the “nanny state” among important sections of the working class.

This is not merely a British phenomenon (the Thatcher victory in 1979). It was seen in the largest possible scale in the fall of the Stalinist regimes in 1989-91. And it has characterised the French, German and Italian electoral cycles and those of Australia, Canada and the US at least since the 1970s (in the case of the US, the Democrats play the role of the reformists).

The right’s negative claim

The predictive failure of the reformists’ negative claim results, most fundamentally, from the national limit of its horizons. Capitalism forms itself, from its beginnings, as a global socioeconomic formation. It is an international greasy-pole hierarchy of competing firms. Within this formation the nation-state is unavoidably a firm, and there is also a hierarchy of competing states. The understanding that the nation-state is a firm competing in the world market is a trivial commonplace of modern capitalist politics: the need to preserve or improve ‘British competitiveness’ is a constant mantra of both Labour and Tories, and equivalents can be found in the major parties of every country. It also forms part of Marx’s criticism of the Gotha programme (quoted in chapter one). To form a government within this framework therefore necessarily commits the participants to manage the interests of the nation-state in global competition.

Success in this competition allows the basis for reforms in the interests of the national working class. Or, more exactly, of sections of the national working class: there are always groups (particularly workers in small firms, young workers, migrants, etc) who must be excluded for the sake of compromise with the middle class parties, as Engels predicted in criticising Vollmar. But success is not ‘purely economic’. Capitals are able to externalise the costs of economic downswing onto weaker states and the firms (and landlords, petty producers, etc) associated with these states. Competition on the world market is thus military-political-economic.

The policy of reform through coalition governments thus entails (a) the displacement of the downswing of the business cycle onto the weaker states and their firms and populations; and (b) the displacement of the social polarisation which capitalism produces onto polarisation between nations. On the one hand, this gives the reformists’ negative claims their credibility: reforms are actually achieved and social polarisation is reduced in the successful states. On the other, the reformists necessarily commit themselves to sustaining and managing an imperial military force.

Sentimental objections to imperialism and foreign adventures, and the residual commitment to the ideas of universal military service and a people’s militia, inevitably give way, once reformists are actually in government, to the hard needs of sustaining the state’s success and standing in the global hierarchy, which is the only means by which reforms can be sustained.

Even this success at the price of bloody hands cannot forever be sustained, because externalising the business cycle has its own limits. As a world top-dog state, like Britain or the US, and the lead industrial sectors associated with this state, enter into decline, the externalised downswing phase of the business cycle returns, affecting not only them, but the other states near the top of the global hierarchy. Competition between these states intensifies. As a result, if the state as a firm is to remain globally competitive, it must endeavour to take back the reforms which have been given and drive wages and working conditions down towards the global average (their true market value). The project of reform through coalition government thereby comes to offer ‘reformism without reforms’ or merely the ‘less bad’ (Blair in preference to Major, and so on).

But every other state is also doing the same thing and, the more they do it, the more global effective purchasing power declines, forcing more attacks … in reality, this is merely the downswing of the business cycle postponed. It is accumulated in time and displaced onto a global scale, returning as global market pressure on the nation-state. The downswing of the ordinary business cycle must end in bankruptcies, which both free productive capital from the claims of overproduced fictional capital to income, and devalorise overinvested physical capital. It is the bankruptcies which free up space for a new economic upswing.

In the same way, the global downswing must end in the destruction of the global money and property claims of the declining world hegemon state: Britain in 1914-45; the US at some point in this coming century. In its (ultimately futile) efforts to put off this result, the declining world hegemon state must respond by an increased exploitation of its financial claims and its military dominance – as Britain did in the later 19th century, and as the US is doing now. The deferred and transposed business cycle can only overcome this problem by ending in war.

At the point of global war between the great powers, the illusory character of the policy of reform through coalition government becomes transparent. All that maintains the reformists are mass fear of the consequences of military defeat, and direct support from the state in the form of repression of their left opponents. Thus both 1914-18 and 1939-45 produced major weakening of the reform policy within the workers’ movement and the growth of alternatives. In the event, after 1945 the destruction of British world hegemony enabled a new long phase of growth, and reformism was able to revive. We are now on the road to another collapse of reformist politics … but what is lacking is a strategically plausible alternative.

(Nadrukken door de schrijver)

Hoewel de SP natuurlijk niet een-op-een te vergelijken is met de sociaal-democratie van een eeuw geleden, is het mijn stelling dat de partij wordt gedomineerd door een dergelijke rechtervleugel. (Relatief) links staat hierin historisch zwak, geïsoleerd, gedesorganiseerd. Dit heeft de rechtervleugel het mogelijk gemaakt om de partij naar haar evenbeeld te vormen en structuren te creëren die haar positie in stand houden. Dus: Een centralistische top-down en volledig ondemocratische partijstructuur met een cultuur waarin politieke discussie (voor zover ze plaatsvind) louter een interne aangelegenheid is, waarin verschillen tussen leidinggevende partijleden worden verstopt voor de partijleden, waarin politieke scholing van een zeer laag niveau is (aangezien politieke scholing betekend dat leden de capaciteit ontwikkelen om zelfstandig geïnformeerde beslissingen te nemen en ideeën te vormen), waarin arrogantie van full-timers en pesterijen van gewone leden door permanente leidinggevenden de norm is, waarin een tendens bestaat om politieke meningsverschillen “op te lossen” door persoonlijke aanvallen of zelfs karaktermoord, en waarin daardoor een groeiende dominatie bestaat van een groeps-denken die steeds minder zelfstandig denken toelaat en waarin leden de agenten worden van deze cultuur van censuur waarin iedere vorm van zelfstandig denken wordt gezien als aanval op de “partij” en zelfs je “loyaliteit aan de partij” ter discussie wordt gesteld als je volhoud.

Ik hoop dat dit een beter beeld geeft van wat ik versta onder “rechtervleugel”, hoewel “vleugel” voor een vrijwel alles dominerende groep een beetje een understatement is. Ik zal in een latere blogpost ingaan op wat ik dan versta onder “linkervleugel” en wat het alternatief is en welke strategie nodig.

Autor: Emil

Zo meldt de NRC tenminste. Wat citaten:

VVD-Kamerlid Paul de Krom zegt wel te hebben voorzien dat Roemer in de SP-hiërarchie zou stijgen: „Emile is gedreven, eerlijk, integer en heeft humor. Een evenwichtige persoon. En hij heeft foute linkse ideeën. Maar het was een prima collega om mee samen te werken. Of hij zich tussen de grote jongens kan staande houden zullen we zien. Dat is natuurlijke wel andere koek dan een kamerdebat over verkeer. Soms kan hij zich wel vreselijk opwinden. Dan krijgt hij een rood hoofd en komt er stoom uit zijn oren. Dat moet hij wel een beetje onder controle krijgen.”

D66-Kamerlid Boris van der Ham omschrijft Roemer als „een SP’er met een das”. Hij is volgens hem „een vriendelijke, bestuurlijke ingestelde man”. „Niet iemand die je dagenlang met een witte jas met groot letters SP achterop schuursponsjes ziet uitdelen. Maar wel iemand die de SP uit die harde oppositiehoek kan halen en in een rustiger vaarwater kan brengen.”

Lia Roefs (PvdA) heeft altijd prettig samengewerkt met Roemer, vertelt ze. „Hij weet goed wat hij wil, maar ook wat een ander wil en is bereid om te kijken waar je het eens kunt worden. In totale openheid. Emile is gedegen en betrouwbaar, zeker een graag geziene persoon. Hij heeft me nog nooit een kunstje geflikt. De SP wil natuurlijk altijd net iets verder dan de PvdA, maar hij gaat dan met je aan tafel om eruit te komen. De commissie Verkeer en Waterstaat zal hem missen.”

Dus men is het er in het parlement er wel over eens dat mijn bijna-naamgenoot een betrouwbaar figuur is. Je zou toch als gerechtaard SP’er hier juist vraagtekens bij moeten zetten… Hij is geliefd bij rechts en rechtser, is dit dan wel onze man? Het enige punt waar de VVD’er kritiek op had is dat Emile zich soms vreselijk kan opwinden, juist net een goed punt dacht ik zo.

Ik ben bang dat de salonfähige rechtervleugel van de partij weer van de kans gebruik heeft gemaakt om zich van de “radicale” Agnes te ontdoen en een meer “acceptabele” Emile naar voren te schuiven. Acceptabel, voor de mede-parlementariërs dus.

Post tags:
Newer Posts »